Uitspraak
200608917/1(JV 2007/348) niet tot een ander oordeel kan leiden.
Raad van State
De vreemdeling verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie op 20 januari 2006 werd afgewezen. De staatssecretaris van Justitie verklaarde het bezwaar hiertegen op 18 juli 2007 ongegrond. De rechtbank 's-Gravenhage oordeelde op 1 mei 2008 dat het beroep gegrond was en vernietigde het besluit, met uitzondering van het verzoek om vergoeding van proceskosten.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen deze uitspraak. Hij voerde aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat artikel 6 EVRM Pro geen grondslag biedt voor vergoeding van immateriële schade als gevolg van het tijdsverloop in de procedure. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat procedures omtrent vreemdelingenzaken buiten het bereik van artikel 6 EVRM Pro vallen en dat de redelijke termijn niet was overschreden.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen en wees het verzoek om vergoeding van immateriële schade af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De totale procedure duurde van 3 februari 2006 tot 1 oktober 2008, wat niet als onredelijk lang werd beschouwd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarbij geen vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend.