AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging rechtbankuitspraak inzake afwijzing verblijfsvergunning en geen vergoeding immateriële schade
De vreemdeling verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie op 20 januari 2006 werd afgewezen. De staatssecretaris van Justitie verklaarde het bezwaar hiertegen op 18 juli 2007 ongegrond. De rechtbank 's-Gravenhage oordeelde op 1 mei 2008 dat het beroep gegrond was en vernietigde het besluit, met uitzondering van het verzoek om vergoeding van proceskosten.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen deze uitspraak. Hij voerde aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat artikel 6 EVRMPro geen grondslag biedt voor vergoeding van immateriële schade als gevolg van het tijdsverloop in de procedure. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat procedures omtrent vreemdelingenzaken buiten het bereik van artikel 6 EVRMPro vallen en dat de redelijke termijn niet was overschreden.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen en wees het verzoek om vergoeding van immateriële schade af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De totale procedure duurde van 3 februari 2006 tot 1 oktober 2008, wat niet als onredelijk lang werd beschouwd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarbij geen vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend.
Uitspraak
200804287/1.
Datum uitspraak: 3 december 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/31841 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Breda, van 1 mei 2008 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 januari 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een aanvraag van [appellant] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 18 juli 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 1 mei 2008, verzonden op 15 mei 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij niet op het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten is beslist, dat verzoek alsnog afgewezen en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 oktober 2008, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A. van Blankenstein, advocaat te 's-Gravenhage, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De rechtbank heeft overwogen dat geen aanleiding bestaat voor het op de voet van artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vergoeden van de door de vreemdeling geleden immateriële schade in verband met het tijdsverloop in de bezwaarschriftprocedure, omdat, voor zover thans van belang, procedures die betrekking hebben op de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen buiten het bereik van artikel 6 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) vallen en de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2007 in zaak nr. 200608917/1(JV 2007/348) niet tot een ander oordeel kan leiden.
2.2. De vreemdeling klaagt dat de rechtbank dat ten onrechte heeft overwogen. Daartoe betoogt hij dat, voor zover thans van belang, zij heeft miskend dat artikel 6 vanPro het EVRM een grondslag voor vergoeding van immateriële schade kan zijn, aangezien het vreemdelingenrechtelijke karakter van de procedure onverlet laat dat hij door het tijdsverloop spanning en frustratie heeft ondervonden.
2.2.1. Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest van 5 oktober 2000, Maaouia tegen Frankrijk, nr. 39652/98, AB 2001, 80) vallen procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen buiten het bereik van artikel 6 vanPro het EVRM.
Aangezien het geschil betrekking heeft op een verzoek om schadevergoeding in verband met een verblijfsrechtelijke procedure, kan het verzoek tot vergoeding van immateriële schade niet op deze verdragsbepaling worden gebaseerd. De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 vanPro het EVRM mede ten grondslag ligt, geldt echter evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling en noopt er toe dat een dergelijk verzoek en het daaruit voortvloeiende geschil binnen een redelijke termijn, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, tot finale vaststelling leidt. Aangezien dit vereiste als neergelegd in artikel 6 vanPro het EVRM op dat rechtsbeginsel berust, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest van 29 maart 2006, Pizzati tegen Italië, nr. 62361/00, JB 2006/134) over de uitleg van deze verdragsbepaling.
Hoewel de rechtbank dat niet heeft onderkend, kan de grief, gelet op het volgende, niet tot het door de vreemdeling beoogde resultaat leiden.
2.2.2. Op 3 februari 2006 heeft de vreemdeling bezwaar tegen het besluit van 20 januari 2006 gemaakt. Op 10 augustus 2007 heeft de vreemdeling beroep tegen het besluit van 18 juli 2007 ingesteld. De rechtbank heeft op 1 mei 2008 uitspraak op dat beroep gedaan. Het daartegen ingestelde hoger beroep is op 1 oktober 2008 ter zitting behandeld. De totale procedure, vanaf 3 februari 2006 tot de dag van de uitspraak van de Afdeling, is, gelet op het vorenstaande, niet zodanig lang dat deze als een overschrijding van de redelijke termijn moet worden aangemerkt. Voor dat oordeel zoekt de Afdeling aansluiting bij het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37.984, rechtsoverweging 4.4 (AB 2006, 11).
Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor vergoeding van schade.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van Staat.