ECLI:NL:RVS:2008:BG6390

Raad van State

Datum uitspraak
1 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200808073/2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bouwvergunning voor 26 woningen in Deurne

Het college van burgemeester en wethouders van Deurne verleende op 15 april 2008 een vrijstelling en bouwvergunning voor het oprichten van 26 woningen aan diverse locaties te Deurne. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college ongegrond werd verklaard op 22 juli 2008. Vervolgens verklaarde de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch het beroep van verzoeker tegen de vergunning ongegrond op 28 augustus 2008.

Verzoeker stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzitter behandelde dit verzoek op 20 november 2008. Verzoeker betoogde onder meer dat een deel van de parkeerplaatsen niet kon worden aangelegd conform het inrichtingsplan parkeren van 30 november 2007, omdat daarvoor onvoldoende ruimte zou zijn.

De voorzitter oordeelde dat het verzoek een voorlopig karakter heeft en dat het niet aannemelijk is dat de parkeerplaatsen niet kunnen worden gerealiseerd, mede omdat het college een verkeerskundige heeft geraadpleegd die concludeerde dat de parkeerplaatsen na herinrichting van de wegen kunnen worden aangelegd, hoewel hiervan geen schriftelijke stukken zijn overgelegd. Gezien het belang van vergunninghoudster bij voortzetting van de bouwwerkzaamheden en het ontbreken van een onevenredige aantasting van de belangen van verzoeker, wees de voorzitter het verzoek af. Tevens werd overwogen dat vergunninghoudster op eigen risico bouwt zolang de vergunning niet definitief is.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de bouwvergunning wordt afgewezen.

Uitspraak

200808073/2.
Datum uitspraak: 1 december 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 augustus 2008 in zaak nrs. 08/2259 en 08/2745 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Deurne.
1. Procesverloop
Bij besluit van 15 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deurne (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van 26 woningen aan [diverse locaties] te Deurne.
Bij besluit van 22 juli 2008 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 augustus 2008, verzonden op 25 september 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 november 2008, hoger beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 november 2008, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 november 2008, waar [verzoeker], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.G.M. Claessens, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. J. van Vulpen, advocaat te Utrecht, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. Daarbij geldt dat besluiten in het algemeen uitvoerbaar zijn, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Dit geldt temeer indien, zoals in dit geval, de rechter in eerste aanleg het besluit heeft getoetst en het daartegen ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard.
2.2. Hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd, geeft, voor zover het niet ziet op de beoogde parkeerplaatsen, op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vrijstelling en bouwvergunning niet mochten worden verleend. In dat verband is van belang dat de voorzieningenrechter naar voorlopig oordeel terecht heeft geconcludeerd dat de in beroep aangevoerde gronden die zich richten tegen de met het nieuwe bestemmingsplan "Spoorzone" beoogde herstructurering van het betrokken gebied, buiten het bereik van deze procedure vallen. Dat geldt bijvoorbeeld de gestelde financiële onuitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, nu de financiële uitvoerbaarheid van dit bouwplan niet wordt betwist.
Wat de voorziene parkeerplaatsen betreft, betoogt [verzoeker] dat een deel daarvan niet kan worden aangelegd overeenkomstig het bij het besluit van 15 april 2008 behorende "Inrichtingsplan parkeren" van 30 november 2007, omdat daarvoor geen ruimte beschikbaar is. Ter zitting heeft het college te kennen gegeven dat een verkeerskundige de situatie ter plaatse heeft beoordeeld en heeft geconcludeerd dat de parkeerplaatsen na herinrichting van de betrokken wegen kunnen worden aangelegd. Die conclusie is echter niet vervat in een schriftelijk stuk en ook overigens zijn geen stukken overgelegd waaruit zonder meer volgt dat voldoende ruimte aanwezig is voor realisatie van de parkeerplaatsen. Derhalve is thans niet geheel duidelijk of deze daadwerkelijk kunnen worden aangelegd. Naar het oordeel van de voorzitter ligt het voor de hand dat het college ruim vóór de behandeling ter zitting van het hoger beroep een inzichtelijke toelichting van een verkeerskundige in het geding brengt op voornoemd inrichtingsplan en de uitvoering daarvan. In het voorgaande ziet de voorzitter echter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening, nu zich niet de situatie voordoet dat op voorhand aannemelijk is dat niet voldoende parkeerplaatsen van voldoende omvang kunnen worden aangelegd. Voorts is enerzijds onevenredige aantasting van de belangen van [verzoeker] bij uitvoering van het bestreden besluit niet aannemelijk en is anderzijds wel aannemelijk, dat [vergunninghoudster] groot belang heeft bij voortzetting van de bouwwerkzaamheden. Het verzoek dient dan ook te worden afgewezen. Daarbij wordt overwogen dat [vergunninghoudster], door bouwwerkzaamheden te verrichten voordat definitief is komen vast te staan dat de vrijstelling en bouwvergunning in stand blijven, op eigen risico handelt.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.
w.g. Polak w.g. Van Roessel
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2008
457.