ECLI:NL:RVS:2008:BG6952
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen bewaring vreemdeling wegens onvoldoende eigen middelen en verblijfplaats
De vreemdeling werd op 5 augustus 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld vanwege het ontbreken van identiteitspapieren, ongewenstverklaring, geen vaste woon- en verblijfplaats, het niet naleven van de vertrektermijn, verdenking van een misdrijf en het ontbreken van eigen middelen van bestaan. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en beval opheffing van de bewaring, mede vanwege de zorg voor zijn gehandicapte zoon en andere kinderen en het feit dat zijn vrouw werkt.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank onvoldoende gewicht had toegekend aan de omstandigheden dat de vreemdeling bekend was met zijn ongewenstverklaring, Nederland niet had verlaten en niet wilde terugkeren naar Afghanistan. Tevens is het inkomen waarover de vreemdeling zelf beschikt bepalend voor voldoende middelen van bestaan, niet het gezamenlijke inkomen met zijn echtgenoot.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen de bewaring ongegrond. Tevens wees de Raad het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De beslissing bevestigt dat de maatregel van bewaring in redelijkheid kon worden opgelegd gezien de omstandigheden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard.