ECLI:NL:RVS:2008:BG9480
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over inkomenseis en onderscheid gezinshereniging bij toepassing richtlijn gezinshereniging
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) bij gezinshereniging met haar echtgenoot. De minister had de aanvraag afgewezen omdat het inkomen van de echtgenoot niet voldeed aan de in Nederland gehanteerde inkomensnorm, die is vastgesteld op 120% van het minimumloon. De vreemdeling betwist dat deze norm in overeenstemming is met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van Richtlijn 2003/86/EG, dat vereist dat de gezinshereniger over stabiele en regelmatige inkomsten beschikt zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State analyseert de nationale regelgeving en de richtlijn. Zij stelt vast dat het Nederlandse stelsel niet alleen algemene bijstand omvat, maar ook bijzondere bijstand, kwijtscheldingen van heffingen en gemeentelijke minimabeleidsmaatregelen, die allen deel uitmaken van het stelsel voor sociale bijstand. De Afdeling vraagt zich af of het rechtvaardig is dat een gezinshereniger die stabiele inkomsten heeft maar toch aanspraak kan maken op deze aanvullende sociale voorzieningen, wordt uitgesloten van gezinshereniging.
Daarnaast is er discussie over het onderscheid dat de Nederlandse regelgeving maakt tussen gezinshereniging en gezinsvorming, waarbij bij gezinsvorming een hogere inkomensnorm geldt. De richtlijn maakt geen onderscheid tussen gezinsbanden die vóór of na de komst van de gezinshereniger tot stand zijn gekomen, behalve voor vluchtelingen. De Afdeling vraagt zich af of deze nationale regeling in strijd is met de richtlijn.
De Afdeling besluit de behandeling van het hoger beroep te schorsen en verzoekt het Hof van Justitie om prejudiciële beslissingen over de uitleg van de zinsnede 'beroep op het stelsel voor sociale bijstand' en het onderscheid in het toepassingsgebied van de inkomenseis bij gezinshereniging.
Uitkomst: De behandeling van het hoger beroep wordt geschorst en aangehouden in afwachting van prejudiciële beslissingen van het Hof van Justitie.