ECLI:NL:RVS:2008:BH0761
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Verzoek om verblijfsvergunning gezinshereniging afgewezen wegens verbroken feitelijke gezinsband door huwelijk
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar van een vreemdeling tegen de weigering van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens gezinshereniging gegrond verklaarde.
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning, welke was afgewezen omdat de feitelijke gezinsband met haar vader was verbroken door het aangaan van een huwelijk. De rechtbank oordeelde echter dat dit niet voldoende was onderzocht en dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom geen bijzondere afhankelijkheid bestond die een verblijfsvergunning zou rechtvaardigen.
De Raad van State oordeelt dat de staatssecretaris beoordelingsvrijheid heeft en dat het beleid niet kennelijk onredelijk is. De omstandigheden dat het huwelijk voortkwam uit jeugdige onbezonnenheid, dat de vreemdeling nooit met haar echtgenoot heeft samengewoond en inmiddels gescheiden is, veranderen niets aan het feit dat de feitelijke gezinsband is verbroken. Ook is geen sprake van bijzondere afhankelijkheid die de normale emotionele banden overstijgt.
De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de weigering van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard omdat de feitelijke gezinsband door het huwelijk is verbroken.