Uitspraak
200605247/1) zijn aldus de grenzen van een redelijke uitleg van het begrip 'duurzame gemeenschappelijke gehuishouding' niet overschreden.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft bij besluit van 23 augustus 2006 bestuursdwang opgelegd om de onzelfstandige bewoning van een woning in Den Haag te beëindigen. Appellanten voerden aan dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding vormden en dat het college ten onrechte het tegendeel had vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, waarna zij hoger beroep instelden bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep behandeld en overwogen dat de woning werd bewoond door drie vrienden die een tijdelijke economische keuze maakten, zonder dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Een samenlevingsovereenkomst en inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie waren onvoldoende om dit te weerleggen.
Verder oordeelde de Afdeling dat politieke uitingen over het beleid omtrent kleine woongemeenschappen en de wens om de term 'duurzaam' te schrappen niet tot vernietiging van het besluit konden leiden. Gezien deze overwegingen werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestuursdwangbesluit bevestigd.