ECLI:NL:RVS:2009:BH0804
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- D. Roemers
- P.B.M.J. van der Beek Gillessen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang bij ongewenstverklaring vreemdeling
De vreemdeling was krachtens artikel 67, eerste lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 ongewenst verklaard bij besluit van 26 april 2006, dat in rechte onaantastbaar is geworden. De staatssecretaris had de ongewenstverklaring tijdelijk opgeheven tot 23 juni 2008, waarna de rechtsgevolgen weer herleefden.
De vreemdeling had een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, die door de staatssecretaris werd afgewezen. Het bezwaar daartegen werd ongegrond verklaard en de rechtbank ’s Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling eveneens ongegrond.
De vreemdeling stelde daarop hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog echter dat zolang de ongewenstverklaring niet is opgeheven of ingetrokken, een beroep tegen een afwijzing van een verblijfsvergunning geen belang heeft omdat geen rechtmatig verblijf kan worden verkregen.
Aangezien niet was gebleken dat de ongewenstverklaring opnieuw was opgeheven of verlengd, was het hoger beroep niet ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het hoger beroep werd formeel niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.