ECLI:NL:RVS:2009:BH1828

Raad van State

Datum uitspraak
4 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200805255/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.1.2 Algemene Plaatselijke Verordening ArnhemArt. 2.3.1.7 Algemene Plaatselijke Verordening ArnhemArt. 125 GemeentewetArt. 5:32 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging handhaving exploitatievergunning horeca ondanks bezwaar appellant

De burgemeester van Arnhem legde appellant een last onder dwangsom op wegens het niet naleven van voorschriften verbonden aan een exploitatievergunning voor horeca-activiteiten. Appellant maakte bezwaar en stelde dat handhaving niet mogelijk was zolang de vergunning niet onherroepelijk was.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het bestuursorgaan bevoegd is bestuursdwang toe te passen ook als de vergunning nog niet onherroepelijk is, tenzij bijzondere omstandigheden zoals uitzicht op legalisatie of disproportionaliteit zich voordoen.

In deze zaak was geen sprake van dergelijke bijzondere omstandigheden. Eerder is ook bevestigd dat het besluit tot vergunningverlening in rechte onaantastbaar is geworden. Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200805255/1.
Datum uitspraak: 4 februari 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 juni 2008 in zaak nr. 08/1337 in het geding tussen:
[appellant],
en
de burgemeester van Arnhem.
1. Procesverloop
Bij besluit van 29 november 2007 heeft de burgemeester van Arnhem (hierna: de burgemeester) [appellant], onder oplegging van een dwangsom gelast zich te houden aan de voorschriften die zijn verbonden aan de aan [appellant] verleende exploitatievergunning voor horeca-activiteiten in [naam olijvenwinkel] te [plaats] (hierna: de exploitatievergunning).
Bij besluit van 19 februari 2008 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 juni 2008, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juli 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 6 augustus 2008.
De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.C. Spil, advocaat te Arnhem, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. E.E.H. van Noordenburg, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 2.3.1.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem is het verboden een horeca-inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
Ingevolge artikel 2.3.1.7, eerste lid, kan de burgemeester aan een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden.
Ingevolge het vierde lid is het verboden te handelen in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen.
Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.
Ingevolge het derde lid wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang evenwel uitgeoefend door de burgemeester, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert.
Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester in redelijkheid niet tot handhaving van de aan de exploitatievergunning verbonden voorschriften kon overgaan alvorens de geldigheid van het besluit tot vergunningverlening van 16 maart 2007 onherroepelijk vaststond.
2.3. Vaststaat dat is gehandeld in strijd met de voorschriften die aan de exploitatievergunning zijn verbonden, zodat de burgemeester ter zake handhavend kon optreden. Het enkele feit dat de exploitatievergunning ten tijde van het besluit op bezwaar van 18 februari 2008 nog niet onherroepelijk was, doet aan deze bevoegdheid niet af.
Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor de vernietiging van het besluit van 19 februari 2008. De burgemeester heeft zich in het besluit op bezwaar terecht op het standpunt gesteld dat geen concreet uitzicht bestaat op legalisatie van de met de vergunning strijdige situatie. Ook anderszins is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de burgemeester van handhavend optreden had moeten afzien.
De Afdeling overweegt ten overvloede dat bij uitspraak van 21 november 2007 de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit op bezwaar, waarbij het besluit van 16 maart 2007 is gehandhaafd, ongegrond heeft verklaard. Bij uitspraak van 20 augustus 2008 (zaak nr.
200708506/1) heeft de Afdeling deze uitspraak bevestigd. Hiermee is het besluit tot vergunningverlening in rechte onaantastbaar geworden.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Altena w.g. Van Hardeveld
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2009
312-598.