AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen revisievergunning vleeskuikenhouderij wegens ontbreken zienswijzen
Het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg verleende op 29 januari 2008 een revisievergunning voor een vleeskuikenhouderij aan een vergunninghoudster. Deze vergunning volgde op een eerdere vergunning van 20 oktober 2006 die door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 30 mei 2007 werd vernietigd na een beroep van Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu (Stichting ROM).
Na vernietiging stelde het college een nieuw ontwerpbesluit op 31 oktober 2007 op, dat op 8 november 2007 ter inzage werd gelegd. Stichting ROM bracht echter geen zienswijzen naar voren tegen dit nieuwe ontwerpbesluit binnen de wettelijke termijn van zes weken. Het college stelde daarom dat het beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat, nu het college ervoor had gekozen de volledige procedure opnieuw te doorlopen, het aan Stichting ROM was om opnieuw zienswijzen in te dienen. Het niet indienen van zienswijzen over het nieuwe ontwerpbesluit maakte het beroep niet-ontvankelijk. Er waren geen omstandigheden die dit redelijkerwijs konden verhinderen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet naar voren brengen van zienswijzen over het nieuwe ontwerpbesluit.
Uitspraak
200801960/1.
Datum uitspraak: 4 februari 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de stichting Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu, gevestigd te Hengelo,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleeskuikenhouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 7 februari 2008 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft de stichting Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu (hierna: Stichting ROM) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 april 2008.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2009, waar het college, vertegenwoordigd door L. Brondijk en A.J. Schuurman, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. [vergunninghoudster] heeft een aanvraag, bij het college binnengekomen op 20 februari 2006, om een revisievergunning ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college op 20 juli 2006 een ontwerpbesluit opgesteld. Bij besluit van 20 oktober 2006 heeft het college de gevraagde vergunning verleend. Bij uitspraak van 30 mei 2007, in zaak nr. 200608972/1heeft de Afdeling het hiertegen door onder meer Stichting ROM ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 20 oktober 2006 vernietigd.
Het college heeft op 31 oktober 2007 een nieuw ontwerpbesluit opgesteld. Dit besluit is op 8 november 2007 ter inzage gelegd. Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het college wederom vergunning verleend.
2.2. Het college betoogt dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat Stichting ROM geen zienswijzen over het ontwerpbesluit van 31 oktober 2007 naar voren heeft gebracht.
2.2.1. Stichting ROM stelt zich op het standpunt dat haar beroep, nu zij reeds zienswijzen over het ontwerpbesluit van 20 juli 2006 naar voren heeft gebracht, ontvankelijk is.
2.2.2. Ingevolge artikel 8.6 van de Wet milieubeheer is op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een vergunning afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Ingevolge artikel 6:13 vanPro de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naarPro voren heeft gebracht.
Ingevolge artikel 3:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kunnen belanghebbenden bij het bestuursorgaan hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen. Ingevolge artikel 3:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, bedraagt de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen zes weken.
2.2.3. In geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter staat het aan het bevoegd gezag in beginsel vrij om bij het nemen van een nieuw besluit terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag, dan wel de gehele procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht opnieuw te doorlopen.
Het college heeft op 31 oktober 2007, naar aanleiding van voornoemde uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2007, een ontwerpbesluit opgesteld en dit op 8 november 2007 ter inzage gelegd. Het college heeft er daarmee voor gekozen de gehele procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht opnieuw te doorlopen. Gelet hierop had het op de weg van Stichting ROM gelegen opnieuw zienswijzen naar voren te brengen. Niet in geschil is dat Stichting ROM over het ontwerpbesluit van 31 oktober 2007 geen zienswijzen naar voren heeft gebracht binnen de termijn van artikel 3:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Daarnaast is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan Stichting ROM dit redelijkerwijs niet kan worden verweten.
Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van Stichting ROM niet-ontvankelijk is.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.