ECLI:NL:RVS:2009:BH2505

Raad van State

Datum uitspraak
5 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200806621/2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
  • T. van Goeverden-Clarenbeek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 2.5.30 bouwverordening gemeente Tubbergen
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bouwvergunning voor appartementen en winkelruimten

Het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen verleende op 21 februari 2007 een bouwvergunning, vrijstelling en ontheffing voor het bouwen van 9 appartementen en winkelruimten aan een locatie in Tubbergen. Na bezwaar van verzoeker werd het besluit van 21 februari 2007 herroepen en opnieuw vergunning verleend onder voorwaarden. De rechtbank Almelo verklaarde het beroep van verzoeker gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Verzoeker stelde hoger beroep in bij de Raad van State en vroeg om een voorlopige voorziening om het besluit van 11 maart 2008 te schorsen.

De voorzitter behandelde het verzoek op zitting op 22 januari 2009, waarbij partijen en belanghebbenden werden gehoord. De voorzitter overwoog dat het verzoek een voorlopig karakter heeft en niet bindend is voor de bodemprocedure. Uit het ingebrachte bewijs, waaronder het rapport van Goudappel Coffeng, bleek geen aanleiding om aan te nemen dat de vergunning onrechtmatig was verleend. Verzoeker bracht geen deskundig tegenadvies in. Bovendien was het bouwplan vrijwel geheel gerealiseerd, waardoor het spoedeisend belang ontbrak.

Daarom wees de voorzitter het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak werd op 5 februari 2009 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter, in aanwezigheid van een ambtenaar van Staat.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit tot bouwvergunning is afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

200806621/2.
Datum uitspraak: 5 februari 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van onder meer:
[verzoeker], wonend te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 17 juli 2008 in zaak nr. 08/389 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling, ontheffing en bouwvergunning verleend voor het bouwen van 9 appartementen en winkelruimten aan het adres [locatie] in [plaats], kadastraal bekend gemeente Tubbergen, sectieletter en nummer: […], […], […], […], […] en […] (hierna: de percelen).
Bij besluit van 11 maart 2008 heeft het college het door [verzoeker] (hierna: [verzoeker]) daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard, het besluit van 21 februari 2007 herroepen en opnieuw vrijstelling, ontheffing en, onder voorwaarden, bouwvergunning verleend voor het bouwplan.
Bij uitspraak van 17 juli 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft onder meer [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 januari 2009, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 januari 2009, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. M. Nijkamp, advocaat te Hengelo, en het college, vertegenwoordigd door mr. L. Legtenberg, ambtenaar in dienst van de gemeente, en bijgestaan door drs. J.M. Roelands, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. S.P.M. Schaap, advocaat te Enschede, en [gemachtigde] als belanghebbende gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het verzoek strekt ertoe het besluit van 11 maart 2008 bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen totdat in de bodemprocedure zal zijn beslist.
2.3. In hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht, is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vrijstelling, de ontheffing en de bouwvergunning niet mochten worden verleend. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.
Het college heeft voor het bouwplan ontheffing van artikel 2.5.30 van de bouwverordening van de gemeente Tubbergen verleend. Het heeft zich daarbij gebaseerd op het [rapport] van Goudappel Coffeng van 22 februari 2008 (hierna: het rapport Goudappel Coffeng). Naar voorlopig oordeel wordt geen grond gevonden voor de conclusie dat de gehanteerde uitgangspunten en de berekeningen van de oppervlakten van de verschillende functies op de percelen, zoals vermeld in het rapport Goudappel Coffeng, onjuist zijn. [verzoeker] heeft zijn betoog ter zake niet met een door een deskundige opgesteld tegenadvies aannemelijk gemaakt.
Voorts wordt in aanmerking genomen dat ter zitting door [vergunninghoudster] onweersproken is gesteld dat het bouwplan vrijwel geheel is gerealiseerd en dat uitsluitend nog werkzaamheden aan de binnenzijde van het gebouw zullen worden uitgevoerd. Met het verzoek is dan ook geen zodanig spoedeisend belang gemoeid dat het treffen van een voorlopige voorziening, als is verzocht, gerechtvaardigd moet worden geacht.
2.4. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2009
488.