ECLI:NL:RVS:2009:BH2507
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering huursubsidie wegens niet-melding medebewoner
De minister van Volkshuisvesting heeft de huursubsidie van appellant over de periodes van 1 juli 2002 tot 1 januari 2006 vastgesteld op nihil en de ten onrechte uitbetaalde subsidie van €8.157,42 teruggevorderd, vermeerderd met een boete van €900 wegens overtreding van de Huursubsidiewet. Appellant betwistte dit besluit en stelde dat zijn echtgenote slechts mantelzorg verleende en niet als medebewoner kon worden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de verklaringen van appellant en zijn echtgenote aan de sociale recherche voldoende bewijs vormen dat de echtgenote haar hoofdverblijf had op het subsidieadres en dus medebewoner was. Het betoog over waterverbruik en mantelzorg faalt omdat de reden van het verblijf niet relevant is voor de kwalificatie als medebewoner.
Verder is geoordeeld dat de minister in redelijkheid kon besluiten tot terugvordering en dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat de door appellant aangevoerde omstandigheden geen zeer dringende redenen vormen om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van huursubsidie bevestigd.