ECLI:NL:RVS:2009:BH2550
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H.W. Groeneweg
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde appellante een boete van €11.000,- op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, en artikel 15, eerste en tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Appellante had een vreemdeling arbeid laten verrichten zonder de identiteit adequaat te controleren, ondanks dat zij een kopie van een Nederlandse identiteitskaart had ontvangen.
De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat zij mocht vertrouwen op de door [bedrijf] verstrekte kopie van het identiteitsbewijs en dat zij daardoor niet verplicht was zelf de identiteit te controleren. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat deze verplichting wel degelijk bij appellante lag, ongeacht de ontvangen kopie, en dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij alles had gedaan om de overtreding te voorkomen.
De Raad van State bevestigde het standpunt van de minister en de rechtbank dat appellante in strijd met de Wav heeft gehandeld en dat geen sprake is van verminderd verwijt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de boeteoplegging bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boeteoplegging van €11.000,- wordt bevestigd.