ECLI:NL:RVS:2009:BH2551
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H.W. Groeneweg
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan appellant een boete van €8.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze boete, waarbij hij betoogde dat hij de vreemdelingen niet had laten werken en dat verklaringen zonder tolk waren afgelegd. De rechtbank Leeuwarden verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep bij de Raad van State werd overwogen dat de verklaringen van de vreemdelingen en appellant wel met behulp van een tolk waren afgelegd of dat appellant de Nederlandse taal voldoende machtig was. De verklaringen bevestigden dat de vreemdelingen bouwwerkzaamheden hadden verricht voor appellant in een pand, ondanks dat er nog geen bouwvergunning was verleend. Dit deed niet af aan het feit dat arbeid was verricht.
De Raad van State oordeelde dat de minister terecht de boete had opgelegd en bevestigde het oordeel van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling. De boeteoplegging blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €8.000 wegens het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder vergunning.