ECLI:NL:RVS:2009:BH3238

Raad van State

Datum uitspraak
18 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200802180/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.4 Wet milieubeheerArt. 20.1 Wet milieubeheerArt. 1:2 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen revisievergunning pluimveehouderij vanwege onvoldoende belang en gegrondheid

Het college van burgemeester en wethouders van Grave verleende op 29 januari 2008 een revisievergunning voor een pluimveehouderij aan een vergunninghouder. Deze vergunning werd ter inzage gelegd en hiertegen werd beroep ingesteld door meerdere appellanten.

De Raad van State oordeelde dat één appellant niet als belanghebbende kon worden aangemerkt vanwege de afstand van meer dan 1650 meter tot de inrichting, waardoor het beroep van deze appellant niet-ontvankelijk werd verklaard. De overige appellanten voerden diverse bezwaren aan, waaronder onduidelijkheden over het geluidsonderzoek, het aantal kippen en mestopslag.

De Raad stelde vast dat het geluidsonderzoek voldoende rekening hield met geluid van zowel hanen als hennen en dat andere geluidbronnen bepalend waren. Controle op het aantal kippen kan via boekhouding en tellingen plaatsvinden, en de beoordeling van mestopslag richt zich op normale bedrijfsvoering, niet op calamiteiten. De overige beroepsgronden faalden, waardoor het beroep voor zover ontvankelijk ongegrond werd verklaard.

Uitkomst: Het beroep van één appellant is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van de overige appellanten ongegrond.

Uitspraak

200802180/1.
Datum uitspraak: 18 februari 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Grave,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grave (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 14 februari 2008 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 maart 2008, beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2009, waar het college, vertegenwoordigd door ing. R.J.M.B. Derks en J.M.P. Kamp, in dienst van de gemeente, is verschenen. Tevens is [vergunninghouder], bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het college stelt dat de mede appellant [appellant A] niet als belanghebbende kan worden aangemerkt, gezien de afstand tussen zijn woning en de bij het bestreden besluit vergunde inrichting.
2.1.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan, voor zover hier van belang, een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
2.1.2. Wanneer krachtens de Wet milieubeheer vergunning wordt verleend, zijn naast de aanvrager onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop milieugevolgen van deze inrichting kunnen worden ondervonden, belanghebbenden.
De woning van [appellant A] ligt op een afstand van meer dan 1650 meter van de met het bestreden besluit vergunde pluimveehouderij. Dit is een zodanig grote afstand dat het, de aard en de omvang van de inrichting in aanmerking genomen, niet aannemelijk is dat ter plaatse van de woning van [appellant A] milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden. Hij kan dan ook niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden aangemerkt. Het beroep voor zover door [appellant A] ingediend is niet-ontvankelijk.
Indien hierna sprake is van [appellanten] worden daarmee nog uitsluitend de andere appellanten bedoeld dan [appellant A].
2.2. [appellanten] hebben zich in het beroepschrift, wat de gronden over de datum van de aanvraag, de juistheid van de gegevens in de aanvraag, het bronvermogen van vrachtwagens, het piekgeluid van de tractor, de beoordelingshoogte van het geluid en het stalsysteem betreft, beperkt tot het verwijzen naar de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen. In het bestreden besluit heeft het college zijn reactie daarop gegeven. [appellanten] hebben in het beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn. Ter zitting zijn zij niet verschenen. Ook voor het overige zijn daarvoor geen gronden. Het beroep is in zoverre ongegrond.
2.3. [appellanten] voeren aan dat in de bij de aanvraag behorende geluidonderzoeken niet is aangetoond dat aan de in de vergunning opgenomen geluidnormen kan worden voldaan. Volgens hen blijkt uit het onderzoek niet met hoeveel hanen is gerekend en ontbreekt een onderbouwing van de berekening dat de aanwezige hanen 80 dB(A) aan geluid produceren. Tevens zijn zij van mening dat er in de onderzoeken ten onrechte geen berekening van het geluid van de kippen is uitgevoerd.
2.3.1. Het college voert aan dat in de geluidonderzoeken is uitgegaan van het geluidniveau veroorzaakt door hanen en hennen samen. Alleen omdat het geluid van hanen kenmerkend is, wordt in het eerste onderzoek het woord hanen gebruikt waar zowel het geluid van hanen als van hennen wordt bedoeld. Volgens het college volgt uit de berekeningen bovendien dat het geluid uit de stallen niet relevant is voor de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting. De andere geluidbronnen van de inrichting zijn bepalend voor de geluiduitstraling van de inrichting.
2.3.2. De Afdeling stelt vast dat uit het geluidrapport van 11 juli 2007 en uit het aanvullend geluidrapport van 18 december 2007 blijkt dat niet het pluimvee maar de ventilatoren, transportbewegingen, laad- en losactiviteiten en het interne transport bepalend zijn voor de geluidproductie van de onderhavige inrichting. Nu zowel hanen als hennen in de beoordeling van het geluidniveau vanuit de stallen zijn betrokken en voorts niet is gebleken dat, rekeninghoudend met dit geluidniveau, de conclusie dat andere activiteiten bepalend zijn voor de geluidproductie onjuist is, faalt deze beroepsgrond.
2.4. [appellanten] voeren aan dat het aantal aangevraagde kippen slechts 40 minder is dan de grens van waaraf de IPPC-richtlijn van toepassing is. Als er 40 kippen meer in de inrichting zouden worden gehouden zou de inrichting volgens hen aan aanmerkelijk strengere eisen moeten voldoen. Zij menen dat het college niet kan controleren of in de inrichting niet meer dan het aangevraagde aantal kippen wordt gehouden.
2.4.1. Het college stelt dat het aantal kippen aan de hand van de boekhouding te controleren valt. Ook met behulp van tellingen van subgroepen valt volgens het college goed te controleren of aan de aantallen wordt voldaan.
2.4.2. De Afdeling overweegt dat de inrichting in werking dient te zijn conform de aanvraag, die blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaakt van de vergunning. Uit hetgeen [appellanten] aanvoeren is niet gebleken dat de vergunning niet handhaafbaar is.
Voor zover [appellanten] met deze beroepsgrond willen aanvoeren dat de vergunning niet wordt nageleefd, kan het college daartegen bestuursrechtelijke handhavingmiddelen toepassen. Deze beroepsgrond heeft dan ook geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen.
2.5. [appellanten] voeren aan dat er geen rekening is gehouden met de mogelijkheid om naast de normale mestopslag ook in geval van calamiteiten mest te kunnen opslaan.
2.5.1. Het college stelt dat bij de beoordeling van de aanvraag uitgegaan moet worden van een normale bedrijfsvoering en niet van mogelijke calamiteiten of noodsituaties. Bovendien beschikt de inrichting volgens het college over een opslagcapaciteit die ruim voldoende voor een jaar mestproductie is.
2.5.2. De Afdeling is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij de beoordeling van de aanvraag uitgegaan diende te worden van een normale bedrijfssituatie. Deze beroepsgrond faalt.
2.6. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover ingediend door [appellant A];
II. verklaart het beroep, voor zover ontvankelijk, ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.
w.g. Mouton w.g. Klap
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2009
315.