Uitspraak
200508299/1en de besluiten van het college van 12 december 2006 en 21 december 2006.
Raad van State
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland heeft op 12 februari 2008 het bestemmingsplan 'Zuidpolder-Oost, eerste partiële herziening 2007' goedgekeurd. Appellant stelde beroep in tegen deze goedkeuring, met name tegen de aanwijzing van zijn gronden als gronden waarop artikel 13, eerste lid, van de WRO van toepassing is en tegen de bestemming 'Woondoeleinden'.
De Raad van State overweegt dat het beroep tegen de woonbestemming niet-ontvankelijk is omdat appellant geen zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht. Het beroep tegen de aanwijzing op grond van artikel 13 WRO Pro is ontvankelijk maar ongegrond. De Afdeling stelt dat de aanwijzing gebaseerd is op een urgente noodzaak voor de realisering van de woonbestemming en de ontsluitingsring, die van structureel belang is voor het functioneren van het plangebied.
Appellant voerde onder meer aan dat onvoldoende onderzoek naar alternatieven was gedaan, dat de urgentie niet was aangetoond, en dat de aanwijzing in strijd zou zijn met het proportionaliteitsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Deze bezwaren worden door de Afdeling verworpen. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verwerkelijking van de bestemming voldoende urgent is en dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
De Afdeling verklaart het beroep tegen het onderdeel woonbestemming niet-ontvankelijk en het overige beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de woonbestemming is niet-ontvankelijk verklaard en het overige beroep ongegrond.