Uitspraak
200204613/1), is, indien het gaat om de vraag of een voorwaardelijke toevoeging in een definitieve toevoeging moet worden omgezet, het moment van beëindiging van de rechtsbijstand bepalend voor de vaststelling van het vermogen. In dit geval is dat het moment waarop [belanghebbende], haar voormalige [echtgenoot] en de desbetreffende bank een schikkingsovereenkomst met betrekking tot de tegoeden op twee geblokkeerde bankrekeningen hebben gesloten. Deze overeenkomst is uitgaande van de datum van de laatst daarop geplaatste handtekening op 30 juni 2006 tot stand gekomen. Nu in deze overeenkomst is vermeld dat partijen zijn overeengekomen dat de bank ten gunste van [echtgenoot] een bedrag van € 90.000,00 van de twee geblokkeerde rekeningen zal overboeken naar een derdenrekening en de bank het resterende saldo, bestaande uit een bedrag van € 94.627,96, ten gunste van [belanghebbende] zal overboeken naar een andere derdenrekening, is het standpunt van de raad dat [belanghebbende] ten tijde van het beëindigen van de rechtsbijstand over een vermogen van € 94.627,96 beschikte niet onjuist. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.