Uitspraak
200301640/1, waarnaar [appellant] verwijst, in dit kader niet relevant is, nu het in deze uitspraak ging om het toestaan van een eerste bedrijfswoning. Een paardenfokkerij moet volgens de Leidraad worden aangemerkt als een andersoortig bedrijf dan de rundveehouderij en de glastuinbouw waarbij het toezichtvereisend karakter in het algemeen niet of nauwelijks aan de orde is. Met de enkele omstandigheid dat het bedrijf van [appellant] een paardenfokkerij met ongeveer 47 paarden betreft is de noodzaak van continue persoonlijk toezicht en verzorging door meer dan één persoon dan ook niet gegeven. De door [appellant] in dat kader overgelegde verklaring van de dierenarts drs. C.A. Bogaard van 21 mei 2008 is voorts onvoldoende concreet en inzichtelijk om op grond daarvan de noodzaak van een tweede bedrijfswoning aannemelijk te achten. Aan deze verklaring komt dan ook niet die betekenis toe die [appellant] daaraan gehecht wenst te zien.