ECLI:NL:RVS:2009:BH3981
Raad van State
- Hoger beroep
- T.M.A. Claessens
- P. Klein
- Rechtspraak.nl
Vluchtelingenpaspoort geweigerd wegens ingetrokken verblijfsvergunning, hoger beroep gegrond verklaard
De burgemeester van Den Haag wees op 5 januari 2007 de aanvraag van appellant voor een vluchtelingenpaspoort af, omdat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de verblijfsvergunning asiel van appellant op 31 oktober 2006 had ingetrokken. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze weigering, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de burgemeester terecht de verblijfsrechtelijke status van appellant aan de IND had voorgelegd, maar dat hij ten onrechte niet had meegewogen dat het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning schorsende werking heeft op grond van artikel 82, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hierdoor had appellant ten tijde van het bestreden besluit nog rechtmatig verblijf in Nederland.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde daarom het besluit van de burgemeester en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde de burgemeester tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De overige gronden van het hoger beroep werden niet behandeld wegens het gegrond verklaren van het beroep op dit punt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de burgemeester tot weigering van het vluchtelingenpaspoort wordt vernietigd.