Uitspraak
200804006/1, overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant] niet voor een reguliere ligplaatsvergunning voor de [locatie sub 2] in aanmerking komt.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees op 21 september 2005 de aanvraag van appellant om een reguliere ligplaatsvergunning af. Appellant maakte bezwaar, dat door het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank Amsterdam bevestigde deze afwijzing in haar uitspraak van 24 april 2008. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het college ten onrechte de aanvraag van appellant als een herhaalde aanvraag voor dezelfde locatie had aangemerkt, terwijl appellant voor een andere, door het college toegewezen vervangende locatie een vergunning had aangevraagd. Hierdoor was het besluit op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb niet correct genomen.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het bestreden uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het college zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat appellant niet in aanmerking kwam voor een vergunning voor de vervangende locatie. Tevens werd bepaald dat appellant het betaalde griffierecht vergoed krijgt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.