ECLI:NL:RVS:2009:BH3986

Raad van State

Datum uitspraak
25 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200802985/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.4 WmArt. 8.10 WmArt. 8.11 Wm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen revisievergunning opslag diermeel wegens milieuoverwegingen

Het college van gedeputeerde staten van Gelderland verleende op 17 maart 2008 een revisievergunning aan een vergunninghoudster voor een inrichting voor opslag van diermeel. Deze vergunning werd op 27 maart 2008 ter inzage gelegd. Appellanten dienden tegen dit besluit beroep in bij de Raad van State.

De appellanten stelden dat de opslag niet in een gesloten ruimte plaatsvond en dat de storthoogte te hoog was, wat stofhinder veroorzaakte. Ook werd aangevoerd dat geluidvoorschriften niet werden nageleefd en dat vrachtwagens de bermen vernielden. Daarnaast werd betwist dat de geurvoorschriften konden worden nageleefd, mede omdat het geurrapport waarop het college zich baseerde niet representatief zou zijn.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de klachten over de naleving van voorschriften geen betrekking hadden op de rechtmatigheid van de vergunning zelf en dat geluidshinder en bermvernieling handhavingskwesties zijn. Het geurrapport werd als representatief beoordeeld, mede vanwege de uitgevoerde metingen en het gebruikte rekenmodel. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de revisievergunning voor opslag van diermeel wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

200802985/1.
Datum uitspraak: 25 februari 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 17 maart 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] (hierna: [vergunninghoudster]) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor de opslag van diermelen, gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 27 maart 2008 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2008, beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellanten] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2009, waar het college, vertegenwoordigd door S. Dsane en mr. T. van Esch, beiden werkzaam bij de provincie Gelderland, is verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.
Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.
Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.
2.2. [appellanten] stellen stofhinder te ondervinden vanwege het in werking zijn van de inrichting. Zij betogen in dit kader dat de opslag in tegenstelling tot hetgeen in het aan de vergunning verbonden voorschrift 4.2.1 is voorgeschreven niet in een gesloten ruimte plaatsvindt, aangezien de loods lekt. Voorts is de storthoogte in strijd met het gestelde in voorschrift 10.1.3 groter dan één meter, waardoor diermeel vrijkomt bij het af- en uitladen.
2.2.1. Deze beroepsgrond ziet op de naleving van genoemde voorschriften en heeft dus geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning. De beroepsgrond kan om die reden niet slagen.
2.3. [appellanten] stellen dat de geluidvoorschriften niet worden nageleefd wanneer de containerbakken worden afgezet en wanneer vrachtwagens manoeuvreren op het buitenterrein. Voorts wijzen zij erop dat vrachtwagens de bermen buiten de inrichting vernielen.
2.3.1. Voor de activiteiten waar [appellanten] op doelen is geen vergunning gevraagd of verleend. Indien deze activiteiten desalniettemin plaatsvinden en hierdoor een overtreding plaatsvindt van de gestelde geluidgrenswaarden, is dit een kwestie van handhaving. Deze beroepsgrond faalt.
2.4. [appellanten] betogen dat niet zeker is dat de aan de vergunning verbonden geurvoorschriften kunnen worden nageleefd. Volgens [appellanten] heeft het college zich niet mogen baseren op een in opdracht van [vergunninghoudster] door Buro Blauw B.V. opgesteld geurrapport van 2 juli 2007, aangevuld bij brief van 17 september 2007, (hierna: het geurrapport). Het geurrapport is volgens hen niet representatief voor de geurbelasting van de inrichting. Volgens hen zijn te weinig metingen verricht om tot een juiste beoordeling te komen. Voorts zijn de metingen verricht op een moment dat de wind niet in de richting van hun erf stond en is de meting van 14 juni 2007 ten onrechte in de ochtend verricht, terwijl de geurbelasting gedurende het verloop van de dag toeneemt.
2.4.1. Uit het geurrapport blijkt dat op 24 oktober 2005 en op 14 juni 2007 geuremissiemetingen zijn verricht. De geurcontouren zijn berekend met het Nieuw Nationaal Model, programma Kema-Stacks 2006. In dit model wordt rekening gehouden met de variaties in windrichting in Nederland op basis van de meteorologische gegevens van de afgelopen jaren. De metingen hebben onder meer plaatsgevonden in juni, zodat volgens het college voldoende rekening is gehouden met hogere buitenluchttemperaturen, waarbij een grotere geuremissie optreedt. De conclusie van het geurrapport is dat de geurconcentratie bij de nabij de inrichting gelegen geurgevoelige objecten onderscheidenlijk 0,7, 2,0, 2,0 1,6 en 2,2 ge/m3 als 98-percentiel bedraagt. Deze waarden zijn in voorschrift 2.1.1 opgenomen. In hetgeen [appellanten] aanvoeren ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het geurrapport niet representatief is voor de geurbelasting vanwege de inrichting. Deze beroepsgrond faalt.
2.5. Het beroep is ongegrond.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.
w.g. Oosting w.g. Fransen
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009
407-491.