Uitspraak
200602308/1, AB 2007, 95.)
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland verleende op 8 juli 2008 een revisievergunning voor een veehouderij aan een vergunninghouder. Deze vergunning werd ter inzage gelegd en daarop werd door omwonenden beroep ingesteld bij de Raad van State. De bezwaren betroffen onder meer stankhinder, onvolledigheid van de aanvraag, akoestisch onderzoek, en de wijze van kennisgeving.
De Raad van State overwoog dat de zienswijzen van appellanten betrekking hadden op stankhinder, maar andere gronden zoals de gebruikte rekenmodellen en staltypen niet eerder waren ingebracht en dus in beroep konden worden aangevoerd. De stellingen over onbevoegdheid en onvolledigheid van de aanvraag werden verworpen. Het akoestisch onderzoek na terinzagelegging werd niet als wijziging van de aanvraag gezien, zodat geen nieuw ontwerpbesluit nodig was.
Verder oordeelde de Raad dat de kennisgeving van het besluit voldoende was en dat eventuele onregelmatigheden in latere publicaties de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Het college hoefde geen advies van de inspecteur milieuhygiëne in te winnen omdat de inrichting niet tot de aangewezen categorieën behoorde. Voorts konden voorschriften ter voorkoming van stankhinder van veewagens van derden niet aan de vergunning worden verbonden.
Het akoestisch onderzoek toonde aan dat geluidhinder door verkeer binnen de normen bleef en de luchtkwaliteitsberekeningen lieten geen verslechtering zien. De Raad concludeerde dat het college zijn beoordelingsvrijheid correct had uitgeoefend en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlening van de revisievergunning voor de veehouderij wordt ongegrond verklaard.