ECLI:NL:RVS:2009:BH6301

Raad van State

Datum uitspraak
10 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200900883/2/H1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • T.M.A. Claessens
  • M.A. Graaff-Haasnoot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 6:16 AwbArt. 6:24 AwbArt. 19 lid 1 Wro
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bouwvergunning fly-over Utrecht

Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht verleende vrijstelling en bouwvergunning voor de realisatie van een fly-over en reconstructie van het 24 Oktoberplein/Martin Luther Kinglaan. Tegen deze besluiten maakten verzoekers bezwaar, dat door het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank Utrecht verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand.

Verzoekers stelden hoger beroep in bij de Raad van State en verzochten om een voorlopige voorziening om de uitvoering van de vergunning, waaronder het kappen van bomen, te schorsen totdat de bodemprocedure was afgerond. De voorzitter behandelde het verzoek en overwoog dat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan, maar dat het college terecht vrijstelling had verleend.

De voorzitter zag geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te kennen, mede omdat de rechtbank niet alle beroepsgronden had beoordeeld en de Afdeling dit in de bodemprocedure nog kon doen. Ook de aangevoerde bezwaren over verkeersintensiteiten en luchtkwaliteit boden onvoldoende grond voor schorsing. Het verzoek werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de bouwvergunning voor de fly-over in Utrecht is afgewezen.

Uitspraak

200900883/2/H1.
Datum uitspraak: 10 maart 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de
Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoekers], beiden wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 februari 2009 in zaak
nr. 08/218 in het geding tussen:
[verzoekers]
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.
1. Procesverloop
Bij besluiten van 2 februari 2006 en 27 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) aan de Dienst Stadsontwikkeling van de gemeente Utrecht (hierna: de Dienst Stadsontwikkeling) vrijstelling respectievelijk bouwvergunning verleend voor het realiseren van een fly-over en het reconstrueren van het 24 Oktoberplein/Martin Luther Kinglaan te Utrecht.
Bij besluit van 18 december 2007 heeft het college de daartegen door, voor zover thans van belang, [verzoekers] gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 februari 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoekers] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 december 2007 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.
Tegen deze uitspraak hebben [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 9 en 17 februari 2009.
Bij eerstgenoemde brief hebben [verzoekers] de voorzitter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 februari 2009, waar [verzoekers], vertegenwoordigd door drs. C. van Oosten, en het college, vertegenwoordigd door ir. J.A.M. van Dijk, drs. H.P.M. Cox en drs. A.M.M. Baggen, bijgestaan door mr. R.J.G. Bäcker, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Teneinde het bouwplan mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend.
2.3. Nu de Dienst Stadsontwikkeling op korte termijn zal beginnen met de (voorbereidende) werkzaamheden, waaronder het kappen van bomen, verzoeken [verzoekers] om schorsing van de in bezwaar gehandhaafde vergunning totdat de Afdeling in de bodemprocedure heeft beslist.
2.4. Ingevolge artikel 6:16 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verband met artikel 6:24 van Pro die wet, geldt als hoofdregel dat het instellen van hoger beroep geen schorsende werking heeft. In het kader van de vraag of aanleiding bestaat om in afwijking van deze hoofdregel een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzitter als volgt.
2.5. In de omstandigheid dat de rechtbank in de in hoger beroep bestreden uitspraak niet is ingegaan op alle door [verzoekers] aangevoerde beroepsgronden, ziet de voorzitter op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat uiteindelijk zal blijken dat de vrijstelling en bouwvergunning niet mochten worden verleend. Zo nodig kunnen de niet door de rechtbank besproken beroepsgronden door de Afdeling worden behandeld in de bodemprocedure.
2.6. Ook in hetgeen [verzoekers] naar voren hebben gebracht over de berekening van verkeersintensiteiten, de invloed van stagnatieverplaatsing op de luchtkwaliteit en de salderingsmethode, ziet de voorzitter niet op voorhand aanleiding voor het oordeel dat de in hoger beroep bestreden uitspraak geen stand zal houden, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vrijstelling en bouwvergunning niet mochten worden verleend.
2.7. Onder deze omstandigheden en gelet op de betrokken belangen bestaat geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening. Derhalve dient het verzoek te worden afgewezen.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.
w.g. Claessens w.g. Graaff-Haasnoot
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2009
531.