ECLI:NL:RVS:2009:BH6336

Raad van State

Datum uitspraak
18 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200803984/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.2.3 bestemmingsplan Kom PrinsenbeekArt. 19 lid 3 Wet op de Ruimtelijke OrdeningArt. 20 Besluit op de ruimtelijke ordening 1985
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen weigering vrijstelling bouwplan berging en carport

Het college van burgemeester en wethouders van Breda verleende op 12 januari 2007 een vrijstelling en bouwvergunning voor de bouw van een berging en carport op een perceel in Breda. Wederpartijen maakten bezwaar tegen dit besluit, dat door het college op 10 april 2007 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Breda verklaarde het beroep van wederpartijen gegrond en vernietigde het besluit van het college.

Het college stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde de zaak op 20 januari 2009. De kern van het geschil betrof de vraag of de carport als een bijgebouw moest worden aangemerkt en daarmee de maximale toegestane oppervlakte van bijgebouwen in het bestemmingsplan werd overschreden.

De Afdeling oordeelde dat de carport geen gebouw is omdat deze niet geheel of gedeeltelijk omsloten is door wanden en niet constructief verbonden is met de berging en garage. Hierdoor wordt de maximale oppervlakte voor bijgebouwen slechts met circa 5 m² overschreden, wat binnen de beleidsregels valt. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitspraak

200803984/1.
Datum uitspraak: 18 maart 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Breda,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 april 2008 in zaak
nr. 07/2263 in het geding tussen:
[wederpartijen], wonend te [woonplaats]
en
het college van burgemeester en wethouders van Breda.
1. Procesverloop
Bij besluit van 12 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een berging en carport op het perceel [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 10 april 2007 heeft het college het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 april 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 10 april 2007 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2008, hoger beroep ingesteld.
[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.
Daartoe in gelegenheid gesteld heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2009, waar het college, vertegenwoordigd door drs. S.J.C. Hovens, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [wederpartij] in persoon en vertegenwoordigd door mr. J.A.M. Schoenmakers, advocaat te Breda, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het bouwplan voorziet in de bouw van een berging en een carport tegen een bestaande garage.
Ingevolge artikel 3.2.3 van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kom Prinsenbeek" (hierna: het bestemmingsplan) geldt voor het bouwen van aan- en bijgebouwen een maximale oppervlakte vrijstaand van 50 m² per woning. Niet in geschil is dat het bouwplan deze maximale oppervlakte overschrijdt.
2.2. Het college heeft beleidsregels vastgesteld voor de toepassing van de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 20 van Pro het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: de beleidsregels)
Ingevolge artikel 1.3.2 van de beleidsregels mag het bruto vloeroppervlak van de verleende vrijstellingen niet meer bedragen dan 25 m² per woning.
2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat, gelet op de beleidsregels, voor het bouwplan geen vrijstelling kon worden verleend omdat het aannemelijk is dat de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen met meer dan 25 m2 wordt overschreden.
Het college bestrijdt dit oordeel. Volgens het college vormt de carport - anders dan de rechtbank heeft overwogen - niet één constructief geheel met de garage en berging en dient deze als een (afzonderlijk) bouwwerk, geen gebouw zijnde, te worden aangemerkt. De totale oppervlakte aan bijgebouwen bedraagt alsdan ongeveer 55 m2, waardoor de toegestane oppervlakte met minder dan 25 m2, namelijk met ongeveer 5 m2, wordt overschreden. De verleende vrijstelling is, aldus het college, in overeenstemming met de beleidsregels.
2.3.1. In artikel 1 (begripsbepalingen), onder 11, van de voorschriften van het bestemmingsplan wordt "bijgebouw" als volgt gedefinieerd: "een op zich zelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw".
In artikel 1, onder 24, van de planvoorschriften wordt "gebouw" als volgt gedefinieerd: "elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt".
2.3.2. Niet in geding is dat de garage en de berging moeten worden aangemerkt als bijgebouwen en dat deze een gezamenlijke oppervlakte hebben van ongeveer 55 m2. Uit de bouwtekeningen blijkt dat de carport is verankerd in de berging en de garage. Aan één zijde heeft de carport een dichte wand, aan drie zijden is de constructie open. Er is geen sprake van een geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte. Evenmin is de constructieve verbondenheid met de berging en garage zodanig, dat de carport daarvan onderdeel uitmaakt. De Afdeling is dan ook met het college van oordeel dat de carport niet kan worden aangemerkt als een gebouw (en dus evenmin als bijgebouw) als bedoeld in het bestemmingsplan. Gelet hierop wordt de in het bestemmingsplan neergelegde maximale oppervlakte voor bijgebouwen met ongeveer 5m² overschreden, zodat aan de beleidsregels voor het verlenen van vrijstelling wordt voldaan.
2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van het college van 10 april 2007 alsnog ongegrond verklaren. Daarbij overweegt de Afdeling dat de omstandigheid dat het college bij het verlenen van de vrijstelling en bouwvergunning er van uit is gegaan dat de overschrijding van de toegestane oppervlakte aan bijgebouwen 20 m2 bedraagt, niet behoeft te leiden tot vernietiging van het besluit van 10 april 2007, aangezien de verleende vrijstelling en bouwvergunning alleen betrekking heeft op het bouwplan en geen recht geeft op een grotere overschrijding dan die uit het bouwplan voortvloeit.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 april 2008 in zaak nr. 07/2263;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van der Maesen de Sombreff
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009
190.