Uitspraak
200106008/1). Op basis van de huidige jurisprudentie is een onherroepelijke veroordeling niet noodzakelijk om in de terminologie van de APV te mogen spreken van in enig opzicht slecht levensgedrag (zie ook ABRvS 12 maart 2001, GS 151 (2001) 7141, 2)".
200106008/1is in de APV, noch in het bepaalde bij of krachtens de Drank- en Horecawet, waarnaar de APV verwijst, een nadere omschrijving gegeven van de eis dat de leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. Gelet hierop zijn geen beperkingen opgelegd ten aanzien van feiten of omstandigheden, die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. Een strafrechtelijke veroordeling is daarbij niet vereist. De Afdeling is van oordeel dat de burgemeester reeds op grond van het onrechtmatige wapenbezit en de bedreiging van een persoon met een vuurwapen in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat [appellant] niet voldoet aan de eis dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Mitsdien kan in het midden blijven of voorts een vuurwapen in de horecagelegenheid aanwezig is geweest. De door [appellant] aangevoerde omstandigheid dat de horecagelegenheid in een saneringsbuurt is gevestigd en zijn betoog dat de gemeente graag zou zien dat die gelegenheid daar verdwijnt, vormen geen grond voor het oordeel dat de burgemeester in dezen niet op onafhankelijke en objectieve wijze tot zijn besluit is gekomen. Het bij de rechtbank bestreden besluit, dat steunt op voldoende concrete en objectieve gegevens, geeft niet blijk van vooringenomenheid jegens [appellant].