ECLI:NL:RVS:2009:BH8574
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- P.B.M.J. van der Beek Gillessen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van aanzeggingen tot legesbetaling in vreemdelingenrecht
In deze zaak hebben vreemdelingen bezwaar gemaakt tegen aanzeggingen tot legesbetaling die zij ontvingen van de staatssecretaris van Justitie. De rechtbank verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk en verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond. De vreemdelingen stelden dat de aanzeggingen wel besluiten zijn en dat zij daartegen bezwaar konden maken.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de verplichting tot betaling van leges voortvloeit uit artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, in samenhang met het Voorschrift Vreemdelingen 2000. Deze wettelijke verplichting betekent dat aanzeggingen tot legesbetaling geen zelfstandige besluiten zijn en geen rechtsgevolg hebben, zodat zij niet als besluiten in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kunnen worden aangemerkt.
Daarnaast werd geoordeeld dat bezwaren tegen de legesheffing binnen de bezwaarprocedure tegen het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen kunnen worden ingebracht, waardoor de aanzeggingen ook niet als handelingen in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 kunnen worden beschouwd.
Verder werd vastgesteld dat een vreemdeling die geen belanghebbende is in de zin van de Awb geen beroep kan instellen, waardoor het beroep van vreemdeling sub 4 niet-ontvankelijk werd verklaard. De Afdeling bevestigde het oordeel van de rechtbank voor de overige vreemdelingen en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan vreemdeling sub 4 wordt terugbetaald.
Uitkomst: Het beroep van vreemdeling sub 4 wordt niet-ontvankelijk verklaard; overige beroepen worden ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.