Uitspraak
200707496/1, gedaan in de procedure over die verzegeling.
200102389/1, waarin is overwogen dat een bouwwerk dat gezien zijn vorm, omvang en constructie niet geschikt is om regelmatig te worden vervoerd, niet kan worden aangemerkt als caravan in de zin van die bepaling. Hieruit volgt dat voor het beleid van het college ter uitvoering van de Wor de rechtspraak ter zake steeds leidend is geweest.
200700185/1, is de bezwaarprocedure bedoeld voor een volledige heroverweging, die niet is gebonden aan argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft het college vastgesteld dat de te plaatsen recreatieobjecten gezien hun constructie niet voldoen aan het in de rechtspraak neergelegde criterium volgens hetwelk een caravan in de zin van artikel 1, derde lid, van de Wor geschikt moet zijn om regelmatig te worden vervoerd en dat voor het verlenen van de gevraagde vergunning derhalve geen rechtsgrond bestaat. Op grond van die bevinding diende het college de gevraagde vergunning alsnog te weigeren. De omstandigheid dat het besluit op het bezwaar aldus een achteruitgang betekent voor een belanghebbende, in dit geval Recracenter, is eigen aan de aard van de bestuurlijke heroverweging. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de gebondenheid van het bestuur aan de wet eraan in de weg staat dat het college gehouden zou zijn in weerwil van de bevindingen waartoe de heroverweging had geleid, de verleende vergunning te handhaven.