ECLI:NL:RVS:2009:BI0057
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op consulaire bijstand bij vreemdelingenbewaring en belangenafweging
De vreemdeling werd in vreemdelingenbewaring gesteld en stelde beroep in tegen dit besluit, stellende dat hij niet onverwijld was gewezen op zijn recht op consulaire bijstand zoals vereist volgens artikel 36 van Pro het Verdrag van Wenen en artikel 5.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
De rechtbank had geoordeeld dat de verklaring van de vreemdeling dat hij geen bezwaar had tegen contact met de Palestijnse autoriteiten impliceerde dat het recht op consulaire bijstand was besproken. De vreemdeling klaagde terecht dat deze uitleg onvoldoende was omdat dit niet hetzelfde is als onverwijld gewezen worden op dat recht.
De Raad van State erkent dat het belang van de vreemdeling is geschaad door het niet wijzen op het recht op consulaire bijstand, maar benadrukt dat dit niet automatisch leidt tot vernietiging van het besluit. Er moet een belangenafweging plaatsvinden waarbij de ernst van het gebrek wordt afgewogen tegen de belangen die met de bewaring worden gediend.
Gezien de omstandigheden van de vreemdeling, waaronder het ontbreken van identiteitsdocumenten, het gebruik van aliassen, het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen, concludeert de Raad dat de belangen van de staat bij bewaring in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de geschonden belangen.
Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.