AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening schorsing revisievergunning voor vleesverwerkend bedrijf in Lisse
Het college van burgemeester en wethouders van Lisse verleende op 7 januari 2009 een revisievergunning aan verzoekster voor een vleesverwerkend bedrijf. Het vergunningvoorschrift C.3., eerste lid, schrijft voor dat afvalwater van huishoudelijke aard en niet-verontreinigd hemelwater niet via zuiveringstechnische voorzieningen mogen worden afgevoerd, maar rechtstreeks naar het openbaar riool.
Verzoekster stelde dat het hemelwater gecombineerd met bedrijfsafvalwater wordt afgevoerd en dat het bedrijfsgebouw uit circa 1950 dateert, waardoor leidingen moeilijk aan te passen zijn. Zij voerde aan dat de kosten voor het afkoppelen van het hemelwater destijds hoog waren en dat het college deze kosten ook te hoog achtte. Het college stelde dat het voorschrift al sinds 1999 geldt en dat handhaving zonder termijn mogelijk is, mede vanwege het risico op vetophoping in de riolering.
De voorzitter overwoog dat uit onderzoek geen vetafzettingen in de riolering waren aangetroffen en dat het college geen handhavingsmaatregelen had genomen sinds 1999. Gezien de belangenafweging werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen door het voorschrift te schorsen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan verzoekster.
Uitkomst: Het vergunningvoorschrift over afvalwaterafvoer in de revisievergunning wordt voorlopig geschorst en het college wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.
Uitspraak
200901303/2/M1.
Datum uitspraak: 3 april 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], gevestigd te [plaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Lisse,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 7 januari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lisse (hierna: het college) aan [verzoekster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleesverwerkend bedrijf aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 9 januari 2009 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 februari 2009, beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 februari 2009, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 maart 2009, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door ing. R. Terlouw, en het college, vertegenwoordigd door A.A. Paulussen, D.A. Baars, beiden werkzaam bij de gemeente, en ing. M.P.C.J.M. van der Linden, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het verzoek betreft vergunningvoorschrift C.3., eerste lid. Dit voorschrift bepaalt dat het afvalwater van huishoudelijke aard en niet-verontreinigd hemelwater de zuiveringstechnische voorziening(en) en eventuele controlevoorziening(en) niet mogen doorlopen, maar rechtstreeks, of via de afvoerleiding van deze voorziening(en), moeten worden afgevoerd naar een openbaar riool.
2.3. [verzoekster] voert aan dat het hemelwater gecombineerd met bedrijfsafvalwater wordt afgevoerd. Zij stelt het bedrijfsgebouw dateert van rond 1950 en dat de leidingen zijn verwerkt in de wanden en de vloeren. Volgens haar is in 2000 onderzocht of het mogelijk was de hemelwaterafvoeren af te koppelen. [verzoekster] stelt dat de kosten daarvan toen ongeveer 95.000 gulden (excl. BTW) waren en dat uit overleg met het college zou zijn gebleken dat ook het college deze kosten te hoog achtte ten opzichte van het milieurendement van deze maatregel. Zij stelt dat de lozingseisen niet worden overschreden en dat geen vet in het gemeentelijke riool wordt afgezet. [verzoekster] is van mening dat haar enige tijd had moeten worden gegund om aan dit voorschrift te voldoen en dat nader onderzoek verricht had moeten worden naar de mogelijkheid om het overgrote deel van het regenwater tegen relatief geringe kosten afzonderlijk af te voeren.
2.3.1. Het college voert aan dat de vetafscheider niet goed functioneert wanneer daardoor hemelwater wordt geleid, dit kan in de riolering tot vetophoping en verstoppingen leiden. Volgens het college ontbreekt het spoedeisend belang, omdat reeds ingevolge het besluit van 20 juli 1999 aan deze eis zou moeten worden voldaan. Een termijn is naar de mening van het college niet nodig, omdat, wanneer tot handhaving zou worden overgegaan, nog een begunstigingstermijn gegeven moet worden en derden geen belang hebben bij naleving van het voorschrift. Het college erkent dat zich nog geen problemen hebben voorgedaan, maar stelt dat daarmee niet vaststaat dat dat in de toekomst zo blijft en dat het een gangbare en gebruikelijke maatregel is. De kosten daarvan acht het college mede in verband daarmee niet te hoog.
2.3.2. De voorzitter overweegt dat uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat namens het college de feitelijke functionering van de riolering is onderzocht en dat bij dat onderzoek geen vetafzettingen zijn aangetroffen. Het college heeft op basis van het besluit van 20 juli 1999 geen handhavingsmaatregelen getroffen. In de reactie op de zienswijze van [verzoekster] op het ontwerp van het bestreden besluit, heeft het college niet vermeld dat naar zijn mening reeds op grond van het besluit van 20 juli 1999 aan deze eis moest worden voldaan, wat daarvan ook zij. Gelet hierop ziet de voorzitter, in afweging van de betrokken belangen, aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen.
2.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Lisse van 7 januari 2009, voor zover het vergunningvoorschrift C.3., eerste lid, betreft;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Lisse tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Lisse aan [verzoekster] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
III. gelast dat de gemeente Lisse aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van Staat.