Uitspraak
200301282/1, waarin naar haar oordeel eenzelfde vergissing bij de afmelding is gemaakt als in deze zaak, en de RDW die fout had aangemerkt als een bijzondere omstandigheid, die had geleid tot matiging van de op te leggen sanctie.
200802204/2 en 200802204/1, en van 5 april 2006, in zaak nr.
200508746/1, waarin is overwogen dat de erkenninghouder met de aanvaarding van de publieke taak om, ter bevordering van het algemeen belang van de verkeersveiligheid, keuringsbesluiten te nemen, een risico heeft genomen van verlies van de keuringsbevoegdheid wegens het maken van fouten dat niet tot verwijtbare misslagen is beperkt.
200301282/1, wordt geen aanleiding gevonden voor een andersluidend oordeel, nu in die zaak de vergissing gemaakt bij de afmelding van het gekeurde voertuig het gevolg was van het feit dat die afmelding, door de destijds gehanteerde werkwijze, niet ononderbroken plaatsvond, waardoor verwisselingen konden plaatsvinden. Uit het vorenstaande volgt dat de RDW in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot de tijdelijke intrekking van de keuringsbevoegdheid van [wederpartij sub 1] voor de duur van twaalf weken en van de erkenning van [wederpartij sub 2] voor de duur van negen weken. De rechtbank heeft dit niet onderkend.