Uitspraak
200706223/1) vloeit uit artikel 45, vijfde lid, van de Regeling, gelezen in verbinding met artikel 42 van Pro de Regeling en hetgeen is bepaald in hoofdstuk 2 van de Regeling, voort dat de keurmeester de keuring dient te verrichten met deugdelijke apparatuur die in goede staat van onderhoud verkeert. Vaststaat dat de roetmeter ten tijde van de steekproef vanwege een defect niet functioneerde. Voor [appellant sub 2], als keurmeester, geldt, evenzeer als voor de erkenninghouder, dat reeds omdat door het defect geen roetmeting kon worden uitgevoerd, terwijl uit artikel 6, aanhef en onder d, in samenhang met artikel 8 van Pro de Regeling volgt dat op de keuringsplaats een deugdelijke en in goede staat van onderhoud verkerende roetmeter aanwezig dient te zijn, vast is komen te staan dat hij niet alle medewerking aan de steekproef heeft verleend als bedoeld in artikel 45, vijfde lid, aanhef en onder d, van de Regeling, zodat de RDW bevoegd was aan hem hiervoor een sanctie op te leggen. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat niet is gebleken dat niet de vereiste medewerking is verleend.
200408580/1) vloeit uit de artikelen 43 en 44, tweede en derde lid, aanhef en onder h, van de Regeling, in onderlinge samenhang gelezen, voort dat een voertuig eerst mag worden afgemeld nadat de keurmeester heeft gecontroleerd of een volledige keuring heeft plaatsgevonden. In de Regeling is geen uitzondering gemaakt voor het geval waarin na volledige keuring een afkeuring is afgemeld en - al dan niet binnen kort tijdsbestek - na reparatie van de geconstateerde defecten opnieuw een keuring plaatsvindt. Aan de besluiten op bezwaar is met juistheid ten grondslag gelegd dat, in strijd met voornoemde bepalingen, op 5 december 2007 het voertuig na een onvolledige keuring is afgemeld. De constatering dat ook die bepalingen zijn overtreden heeft er niet toe geleid dat de in deze besluiten aan Buitenpost en [appellant sub 2] opgelegde sancties zijn verzwaard ten opzichte van de sancties die aan hen bij de besluiten van 26 februari 2008 zijn opgelegd. In de besluiten van 26 februari 2008 is de zwaarte van de sancties alleen gerelateerd aan het niet verlenen van de vereiste medewerking aan de steekproef op 5 december 2007 en aan het op die dag door het ontbreken van deugdelijke apparatuur verrichten van een onvolledige keuring. Nu overtreding van de artikelen 43, eerste lid, en 44, tweede en derde lid, aanhef en onder h, van de Regeling weliswaar alsnog aan de besluiten op bezwaar ten grondslag is gelegd, maar niet heeft geleid tot verzwaring van de sancties, bestaat geen grond voor matiging van die sancties. Daartoe bestaat te minder aanleiding nu, anders dan door Buitenpost en [appellant sub 2] is gesteld, volgens het per 1 juni 2008 gevoerde beleid bij cumulatieve overtreding van de artikelen 45, vijfde lid, aanhef en onder d, en 42, eerste lid, van de Regeling de sanctie van intrekking van de erkenning en keuringsbevoegdheid voor onbepaalde tijd in overeenstemming met het beleid zou zijn. Gezien het vorenstaande heeft de RDW zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de opgelegde sancties, gelet op de ernst van de geconstateerde overtredingen en de afwezigheid van bijzondere omstandigheden, niet onevenredig zijn te achten.