Art. 8 RWNArt. 10 RWNRijkswet van 21 december 2000 tot wijziging van de RWNBesluit van 15 maart 2003 (Stb. 2003, 118)Rijkswet van 18 april 2002 (Stb. 222)
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep over afwijzing verzoek Nederlanderschap wegens onvoldoende samenwoningseis
De minister van Justitie wees op 11 februari 2005 het verzoek van de wederpartij om het Nederlanderschap te verkrijgen af. De rechtbank Rotterdam verklaarde het daarop ingestelde beroep gegrond en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de uitleg en toepassing van artikel 8, tweede lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), waarin is bepaald dat een verzoeker die ten minste drie jaar gehuwd is en samenwoont met een Nederlander aan deze voorwaarden moet voldoen op het moment van indiening en besluitvorming. De rechtbank had dit anders uitgelegd.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat enkel op het moment van indiening aan de samenwoningseis moest zijn voldaan. Verder stelde de Raad vast dat de verzoekster niet voldoende bewijs had geleverd van onafgebroken samenwoning gedurende de drie jaar voorafgaand aan het verzoek, waardoor niet aan de wettelijke eis werd voldaan.
Ook het beroep op de hardheidsclausule van artikel 10 RWNPro werd verworpen, omdat de minister voldoende beoordelingsruimte heeft en de omstandigheden van de verzoekster niet als bijzonder werden aangemerkt. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de verzoekster ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de verzoekster tegen de afwijzing van haar Nederlanderschap wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van onafgebroken samenwoning.
Uitspraak
200804889/1/V6.
Datum uitspraak: 22 april 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister van Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 mei 2008 in zaak nr. 07/1028 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend te [woonplaats],
en
de minister van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 11 februari 2005 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (thans de minister van Justitie; hierna: de minister) een verzoek van [wederpartij] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 12 februari 2007 heeft de minister, voor zover thans van belang, het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 29 mei 2008, verzonden op 5 juni 2008, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juni 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 23 juli 2008. Deze brieven zijn aangehecht.
[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2009, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te 's-Gravenhage, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De minister klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij een onjuiste uitleg aan artikel 8, tweede lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) heeft gegeven, door zich op het standpunt te stellen dat aan de in dit artikellid genoemde driejarentermijn moet zijn voldaan alvorens een verzoek om verlening van het Nederlanderschap kan worden ingediend. De minister betoogt hiertoe dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het uitgangspunt van artikel 8, tweede lid, van de RWN is dat aan de eis van drie jaar huwelijk en samenwoning met een Nederlander moet zijn voldaan, op zowel het tijdstip van indiening van het verzoek als op het moment dat een besluit wordt genomen.
2.1.1. Ingevolge artikel VII, tweede lid, van de Rijkswet van 21 december 2000 tot wijziging van de RWN zijn de onderdelen c en d van artikel 8, eerste lid, zoals deze komen te luiden ingevolge artikel I, onderdeel J, niet van toepassing op verzoeken, ingediend vóór de inwerkingtreding van dit onderdeel.
Ingevolge artikel 1 vanPro het Besluit van 15 maart 2003 (Stb. 2003, 118) is het tijdstip van inwerkingtreding 1 april 2003, zodat, nu het verzoek is ingediend op 17 maart 2003, artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, zoals de bepaling vóór de wijziging ervan luidde, van toepassing is. Dit geldt niet voor het tweede lid van artikel 8.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN komen voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechtsPro in aanmerking verzoekers die tenminste vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in Nederland woonplaats of werkelijk verblijf hebben gehad.
Ingevolge het tweede lid geldt dat vereiste niet met betrekking tot de verzoeker die sedert tenminste drie jaren de echtgenoot is van en samenwoont met een Nederlander.
Ingevolge artikel 10 kanPro de Kroon, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van het bepaalde in voormeld artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c (hierna: de hardheidsclausule).
Volgens de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (hierna: de Handleiding) geldt, indien de verzoeker in de afgelopen drie jaar onafgebroken is gehuwd met een Nederlander én beide partners tijdens deze periode drie jaar onafgebroken samenwonen, géén termijn van toelating en hoofdverblijf. Het huwelijk en de samenwoning mogen gedurende deze periode van drie jaar niet onderbroken zijn geweest, aangezien een onderbreking afbreuk doet aan de bij een huwelijk met een Nederlander veronderstelde versnelde inburgering. De samenwoning binnen het Koninkrijk kan worden aangetoond door inschrijving op een zelfde adres in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA). Indien de samenwoning niet afdoende blijkt uit de GBA, dient de verzoeker de samenwoning te bewijzen door middel van andere bewijsstukken, aldus de Handleiding.
2.1.2. Bij aanpassing van de RWN bij Rijkswet van 18 april 2002 (Stb. 222) is bepaald dat de term "sedert" in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN wordt ingevoegd. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2001/02, 28 039, nr. 3, blz. 2 ad G) is hierover het volgende vermeld:
"De invoeging van het woord: sedert voor "vijf jaren" maakt duidelijk dat de voor naturalisatie vereiste termijn van verblijf in Nederland duurt van vijf jaar voor de indiening van het naturalisatieverzoek tot het tijdstip van de verkrijging van het Nederlanderschap. Deze duidelijkheid is in de praktijk noodzakelijk gebleken."
Hoewel de rechtbank terecht heeft overwogen dat in de bewoordingen van artikel 8, tweede lid, van de RWN, anders dan in het eerste lid, aanhef en onder c, de zinsnede "onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek" niet is opgenomen, heeft zij niet onderkend dat in voormeld artikel 8, tweede lid, wel het woord "sedert" is opgenomen. Hoewel de vorenvermelde passage uit de Memorie van Toelichting niet ziet op artikel 8, tweede lid, van de RWN, bestaat geen grond voor het oordeel dat het in deze bepaling reeds opgenomen woord "sedert" een andere betekenis heeft dan in de nieuwe redactie van het eerste lid, aanhef en onder c. Gelet hierop moet, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de in artikel 8, tweede lid, van de RWN opgenomen eis van drie jaar huwelijk en samenwoning met een Nederlander, zoals ook blijkt uit hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 september 2005, zaak nr. 200501048/1), aldus worden verstaan dat zowel op het tijdstip van indiening van het verzoek als op het moment dat een besluit wordt genomen hieraan dient te zijn voldaan.
De klacht slaagt.
2.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.
2.2.1. [wederpartij] is op 15 november 1999 gehuwd met [de echtgenoot], die de Nederlandse nationaliteit bezit. Zij is in de GBA ingeschreven vanaf 26 september 2000. Op 17 maart 2003 heeft zij het verzoek om verlening van het Nederlanderschap ingediend. Zoals de minister terecht heeft overwogen heeft [wederpartij] weliswaar ten opzichte van de maanden juni, augustus en september 2000 met bewijsmiddelen aangetoond dat zij samenwoonde met de echtgenoot op eenzelfde adres, doch heeft zij ten aanzien van de maanden maart, april en juli 2000 geen of slechts een enkel bewijsstuk overgelegd. De minister heeft zich derhalve met recht op het standpunt gesteld dat door [wederpartij] niet is aangetoond dat zij in de gehele periode van maart tot en met september 2000 feitelijk en onafgebroken heeft samengewoond met de echtgenoot op eenzelfde adres, zodat zij niet voldoet aan de eis van drie jaar huwelijk en samenwoning met een Nederlander op het tijdstip van indiening van het verzoek, zoals opgenomen in artikel 8, tweede lid, van de RWN.
Het betoog van [wederpartij] in beroep dat zij niet op andere wijze dan waarop zij dat heeft gedaan, kan aantonen dat zij de gehele drie jaar voorafgaand aan het verzoek om verlening van het Nederlanderschap met de echtgenoot op eenzelfde adres heeft gewoond en dat het aan de minister is om te bewijzen dat zij in de maanden maart, april en juli 2000 niet aan deze eis heeft voldaan, miskent dat het, blijkens het beleid zoals weergegeven in 2.1.1, aan de verzoeker is de samenwoning te bewijzen door middel van inschrijving op eenzelfde adres in de GBA of met andere bewijsstukken.
2.2.2. [wederpartij] betoogt in haar beroepschrift voorts zonder succes dat toepassing dient te worden geven aan de hardheidsclausule van artikel 10 vanPro de RWN. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 juli 2003 in zaak nr. 200204721/1), heeft de minister bij de toepassing van artikel 10 vanPro de RWN beoordelingsruimte waarvan de invulling primair tot zijn verantwoordelijkheid behoort. De enkele omstandigheid dat [wederpartij], naar zij stelt, sinds januari 2000 in Nederland verblijft en kinderen heeft die in Nederland zijn geboren, heeft de minister niet ten onrechte niet aangemerkt als een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 10 vanPro de RWN die tot afwijking van voormeld artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, zou kunnen nopen.
2.3. Gelet op het voorgaande, wordt het beroep van de [wederpartij] tegen het besluit van 12 februari 2007 alsnog ongegrond verklaard.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 mei 2008 in zaak nr. 07/1028;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.