ECLI:NL:RVS:2009:BI2293
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- C.J.M. Schuyt
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Vaststelling bewijslast en toepasselijkheid artikel 8 EVRM bij verlenging verblijfsvergunning
In deze zaak stond centraal of de staatssecretaris verplicht was om nadere vragen te stellen aan de vreemdeling over de belangenafweging op grond van artikel 8 van Pro het EVRM bij de aanvraag tot verlenging van een verblijfsvergunning. De rechtbank had geoordeeld dat dit op de weg van de staatssecretaris lag en dat de vreemdeling niet kon worden tegengeworpen dat hij niet uit zichzelf de benodigde informatie had verstrekt.
De Raad van State stelde echter vast dat volgens de vreemdelingenwet en de vreemdelingencirculaire het aan de vreemdeling is om de gegevens en bescheiden te verschaffen waaruit blijkt dat sprake is van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro. De staatssecretaris hoeft niet ambtshalve nadere vragen te stellen als de vreemdeling dit niet zelf heeft aangevoerd.
Verder oordeelde de Raad dat de criteria die de staatssecretaris hanteert bij de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro wel als voorwaarden in de zin van artikel 26 lid 2 van Pro de Vw 2000 kunnen worden aangemerkt. De datum van verlening van de verblijfsvergunning is de datum waarop de vreemdeling aannemelijk maakt aan alle voorwaarden te voldoen, en niet de datum van aanvraag. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.