ECLI:NL:RVS:2009:BI2301
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep tegen afwijzing wijziging en verlenging verblijfsvergunningen vreemdelingen
De vreemdelingen hadden bij besluiten van 15 juni 2005 verzocht om wijziging van de beperking en verlenging van hun verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd, welke aanvragen werden afgewezen. De staatssecretaris verklaarde de daarop volgende bezwaren ongegrond. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde de beroepen van de vreemdelingen gegrond en vernietigde de besluiten, waarna zowel de vreemdelingen als de staatssecretaris hoger beroep instelden bij de Raad van State.
De vreemdelingen voerden aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat geen recente verklaringen waren overgelegd omtrent de noodzakelijke opvang en begeleiding van de vreemdeling sub 2, en dat het risico op prostitutie in Angola onvoldoende werd erkend. De Raad van State stelde vast dat het indicatiebesluit van Zorgkantoor Waardenland uit 2006 recente en relevante informatie bevatte over de zorgbehoefte van vreemdeling sub 2, maar oordeelde dat de vreemdelingen niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij zich in Angola niet zonder speciale zorg kunnen handhaven. Ook was geen direct verband aangetoond tussen het ontbreken van een sociaal netwerk en het risico op prostitutie.
De staatssecretaris stelde dat de rechtbank ten onrechte geen belangenafweging had gemaakt op grond van artikel 8 EVRM Pro en dat het recht op respect voor het familie- en gezinsleven niet zo ver strekt dat bij gezamenlijke uitzetting rekening gehouden moet worden met de gevolgen voor het gezinsleven in het land van herkomst. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank dit niet juist had beoordeeld en vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze door de staatssecretaris was bestreden.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de vreemdelingen ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank voor zover door de vreemdelingen bestreden, verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover door de staatssecretaris bestreden en verklaarde de beroepen van de vreemdelingen ongegrond. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en hun beroepen worden afgewezen, terwijl het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.