ECLI:NL:RVS:2009:BI2326
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van rechtmatigheid besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel en risico op artikel 3 EVRM behandeling
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die het besluit tot afwijzing van een verblijfsvergunning asiel voor de vreemdeling en haar minderjarige kinderen vernietigde. De rechtbank had geoordeeld dat de vreemdeling aannemelijk had gemaakt dat zij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico liep op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM.
De staatssecretaris stelde dat de rechtbank ten onrechte een eigen oordeel had gegeven over stellingen van de vreemdeling die niet waren betrokken in het besluit van 1 oktober 2007 en dat reeds in een eerdere uitspraak was vastgesteld dat artikel 3 EVRM Pro geen bescherming bood. De Raad van State oordeelde echter dat in de eerdere uitspraak geen definitief oordeel was gegeven dat de vreemdeling geen aanspraak kon maken op bescherming op grond van artikel 3 EVRM Pro.
Verder stelde de staatssecretaris dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil was getreden door stellingen mee te wegen die niet in het besluit waren betrokken. De Raad van State stelde vast dat de staatssecretaris in strijd met artikel 3:46 Awb Pro niet op deze stellingen had gereageerd, waardoor de rechtbank het besluit terecht had vernietigd, zij het op onjuiste gronden.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbetering van de motivering. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbetering van de motivering.