ECLI:NL:RVS:2009:BI2333
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten minister wegens onvoldoende motivering en zorgvuldigheid bij legesvrijstelling mvv-aanvragen
De vreemdelingen dienden aanvragen in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), die door de minister van Buitenlandse Zaken buiten behandeling werden gesteld vanwege het niet voldoen van de verschuldigde leges. In bezwaar werden deze besluiten ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdelingen gegrond en vernietigde de besluiten, waarna de minister hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de voorzieningenrechter buiten de grenzen van het geschil is getreden door te oordelen dat de besluiten niet deugdelijk zijn gemotiveerd, omdat het standpunt van de minister dat de aanvragen terecht buiten behandeling zijn gesteld wegens niet-betaling van leges niet is bestreden in beroep. Dit grief slaagt, waardoor de uitspraak van de voorzieningenrechter wordt vernietigd.
De Raad van State beoordeelt vervolgens zelf de besluiten van 27 februari 2008. De vreemdelingen kwamen niet in aanmerking voor vrijstelling van leges omdat zij niet binnen de gestelde termijn hun aanvragen hadden ingediend. De fout van hun wettelijke vertegenwoordiger bij het niet vermelden van hen bij een verzoek om advies kan hen niet worden toegerekend. Wel oordeelt de Raad dat de minister ten onrechte het beroep van de vreemdelingen op artikel 8 EVRM Pro niet ter beoordeling aan de staatssecretaris heeft voorgelegd, terwijl dit volgens de Regeling op de consulaire tarieven een grond voor vrijstelling van leges kan zijn.
Daarom zijn de besluiten niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De Raad verklaart het beroep van de vreemdelingen gegrond, vernietigt de besluiten en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De besluiten van de minister van Buitenlandse Zaken van 27 februari 2008 zijn vernietigd wegens onvoldoende motivering en nalatigheid in de beoordeling van het beroep op artikel 8 EVRM.