AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Intrekking milieuvergunning voor jongvee wegens niet-gebruik gedurende drie jaar
Het college van burgemeester en wethouders van Bernheze heeft op 22 april 2008 besloten de milieuvergunning van 6 oktober 1981 voor een veehouderij gedeeltelijk in te trekken, specifiek voor het houden van jongvee, omdat gedurende meer dan drie jaar geen gebruik was gemaakt van deze vergunning. Dit besluit is op 2 mei 2008 ter inzage gelegd. De appellant heeft hiertegen beroep ingesteld bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft vastgesteld dat het college terecht heeft gehandeld op grond van artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer, dat intrekking mogelijk maakt indien gedurende drie jaar geen handelingen met gebruikmaking van de vergunning zijn verricht. De Afdeling oordeelt dat het college bij de belangenafweging niet onredelijk heeft gehandeld.
Verder is overwogen dat de intrekking een regulering van het eigendomsrecht betreft, maar dat deze inmenging is voorzien bij wet en een fair balance wordt gewaarborgd tussen het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. De appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een buitensporige last of strijd met het gelijkheidsbeginsel. Ook bestaat geen grond voor schadevergoeding bij intrekking van de vergunning. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de gedeeltelijke intrekking van de milieuvergunning wegens drie jaar niet-gebruik wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
200804232/1.
Datum uitspraak: 29 april 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Bernheze,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bernheze (hierna: het college) met toepassing van artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer de aan [appellant] krachtens de Hinderwet verleende vergunning van 6 oktober 1981 voor een veehouderij aan de [locaties] te [plaats] ingetrokken, voor zover het betreft het houden van jongvee. Dit besluit is op 2 mei 2008 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 juni 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 3 juli 2008.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 april 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, en het college, vertegenwoordigd door A.M. Seelen en L.F.M. van den Bogaard, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het college heeft aan de gedeeltelijke intrekking van de vergunning van 6 oktober 1981 (hierna: de milieuvergunning) ten grondslag gelegd dat gedurende een periode van meer dan drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de milieuvergunning. Verder heeft het college in het bestreden besluit gesteld dat het belang van het milieu er niet mee is gediend als een vergunning blijft voortbestaan die niet wordt gebruikt.
2.1.1. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte tot gedeeltelijke intrekking van de milieuvergunning heeft besloten. Volgens hem gaat het college voorbij aan zijn bedrijfsbelangen.
2.1.2. Ingevolge artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag - onverminderd het in de artikelen 8.34, 8.38, 8.39 en 18.12 bepaalde - een vergunning voor een inrichting geheel of gedeeltelijk intrekken indien gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.
2.1.3. Niet in geschil is dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gedurende een periode van ten minste drie jaar geen jongvee meer in de inrichting werd gehouden. Vaststaat derhalve dat gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de milieuvergunning voor zover het betreft het houden van jongvee.
In het betoog van [appellant] ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot gedeeltelijke intrekking van de milieuvergunning heeft kunnen besluiten.
De beroepsgrond faalt.
2.2. [appellant] voert aan dat sprake is van ongerechtvaardigde inmenging in zijn eigendomsrecht, zodat sprake is van een inbreuk op artikel 1 vanPro het eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).
2.2.1. Ingevolge artikel 1 vanPro het Eerste Protocol bij het EVRM heeft iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Deze bepalingen tasten ingevolge dit artikel, voor zover hier verder van belang, op geen enkele wijze het recht aan, dat een staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.
2.2.2. Artikel 1 vanPro het Eerste Protocol bij het EVRM garandeert het recht van de eigendom. Als eigendom in de zin van dit artikel worden door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) beschouwd rechten en belangen die een vermogenswaarde vertegenwoordigen. In de eerste zin van de eerste alinea, is het principe van het recht op ongestoord genot van de eigendom neergelegd. De tweede zin van de eerste alinea heeft betrekking op de regels voor onteigening. In de tweede alinea wordt het recht van de staat erkend tot de regulering van gebruik van de eigendom in het algemeen belang. Bij een (gedeeltelijke) intrekking vormt niet de vergunning zelf het aanknopingspunt voor de eigendomsbescherming, maar het met die vergunning uitgeoefende bedrijf.
Voorts heeft het EHRM uit het verband tussen de tweede alinea en de overige bepalingen van artikel 1 vanPro het Eerste protocol bij het EVRM, en meer in het bijzonder het beginsel dat ten grondslag ligt aan de eerste volzin daarvan, het vereiste afgeleid dat een onder de tweede alinea van artikel 1 vanPro het Eerste Protocol bij het EVRM vallende inmenging op het recht op ongestoord genot van eigendom slechts is toegestaan wanneer er een 'fair balance' is getroffen tussen het algemeen belang enerzijds en de bescherming van individuele rechten anderzijds. Aan het vereiste van een 'fair balance' is niet voldaan indien sprake is van een individuele en buitensporige last voor de betrokken persoon ('individual and excessive burden'). Bij deze afweging is mede van belang of de maatregel in strijd is met eerder door de overheid gewekte verwachtingen.
Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keus van de middelen om dit algemeen belang te dienen, komt de wetgever een 'wide margin of appreciation' toe.
2.2.3. De Afdeling stelt voorop dat de (gedeeltelijke) intrekking van de milieuvergunning een inmenging is in het recht van [appellant] op het ongestoord genot van zijn eigendom, te weten de uitoefening van zijn bedrijf en de daarmee gepaard gaande economische belangen, aangezien dit gebruik door de gedeeltelijke intrekking wordt beperkt. In dit geval is er derhalve sprake van regulering van gebruik van de eigendom.
2.2.4. Ten tijde van de verlening van de milieuvergunning aan [appellant] op 6 oktober 1981, was in artikel 27, derde lid, van de Hinderwet, voor zover hier van belang, bepaald dat wanneer een gedeelte van de inrichting gedurende drie achtereenvolgende jaren buiten werking was, de vergunning voor dat gedeelte verviel. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was in artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer de mogelijkheid opgenomen om een vergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken indien gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. De inmenging is aldus voorzien bij wet.
2.2.5. Uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1958/59, 5402, nr. 3, blz. 4) blijkt dat met de mogelijkheid om een vergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken indien gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning, is beoogd te voorkomen dat om speculatieve doeleinden vergunningen worden aangevraagd voor inrichtingen die aanvragers niet van plan zijn op te richten. Uit die wetsgeschiedenis blijkt verder dat het ongewenst is dat ingevolge een oude vergunning - die verbonden is aan de plaats van vestiging - plotseling op een inmiddels door woningen ingebouwd perceel een voor de omgeving hinderlijke inrichting rechtens zou kunnen worden opgericht. Naar het oordeel van de Afdeling wordt met het bestreden besluit, door gebruikmaking van de in artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer opgenomen mogelijkheid om de vergunning gedeeltelijk in te trekken, gelet op de in de wetsgeschiedenis vermelde argumenten, het algemeen belang gediend.
2.2.6. Ten aanzien van de voorzienbaarheid van het bestreden besluit overweegt de Afdeling dat de relevante wetsartikelen van de Hinderwet en de Wet milieubeheer waarin de omstandigheden waaronder een milieuvergunning gedeeltelijk vervalt, dan wel waaronder de milieuvergunning (gedeeltelijk) mag worden ingetrokken worden weergegeven, voldoende duidelijk zijn. Het college heeft [appellant] geen garanties gegeven dat hij het houden van jongvee zou mogen voortzetten, indien hij van dat gedeelte van de milieuvergunning geen gebruik zou maken. Reeds in 2002 is [appellant] door het college op de hoogte gesteld van het voornemen om zijn vergunning gedeeltelijk in te trekken. Het is voor [appellant], door geen gebruik te maken van de vergunning voor zover het het houden van jongvee betreft, derhalve voorzienbaar geweest dat de vergunning voor dat gedeelte zou kunnen worden ingetrokken. Tegen deze achtergrond bezien, ziet de Afdeling in het betoog van [appellant] geen reden om aan te nemen dat het gaat om een individuele en buitensporige last. Er is dus voldaan aan het vereiste van een fair balance. Gelet op het voorgaande is er geen schending van artikel 1 vanPro het Eerste Protocol bij het EVRM.
De beroepsgrond faalt.
2.3. [appellant] betoogt dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld, nu het college alleen zijn vergunning gedeeltelijk intrekt, en geen sprake is van een beleidsmatige benadering.
[appellant] heeft deze stelling niet met concrete, op de situatie in kwestie toegesneden, argumenten onderbouwd. Hij heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen. De stelling geeft de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het college heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
De beroepsgrond faalt.
2.4. Voor zover [appellant] meent dat de milieuvergunning slechts zou mogen worden ingetrokken indien is voorzien in een schadevergoeding, overweegt de Afdeling dat de Wet milieubeheer geen grondslag biedt voor de stelling dat een vergunning slechts zou mogen worden ingetrokken onder het gelijktijdig bieden van compensatie voor het eventuele financiële nadeel dat wordt geleden. Waardevermindering van milieuvergunningen en schadevergoeding hebben geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu. Deze aspecten kunnen dan ook niet worden betrokken bij de vraag of de milieuvergunning kan worden ingetrokken.
De beroepsgrond faalt.
2.5. Het beroep is ongegrond.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en drs. H. Borstlap, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.