ECLI:NL:RVS:2009:BI4508

Raad van State

Datum uitspraak
20 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200804643/1/M1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 29 Wet bodembeschermingArt. 55 Wet bodembeschermingArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar aansprakelijkheid bodemsanering

Het college van gedeputeerde staten van Utrecht wees bij brief van 13 maart 2007 de aansprakelijkheid van appellant A af voor de kosten van bodemsanering op een perceel te Utrecht. Appellanten stelden dat het college nalatig was en aansprakelijk voor de schade. Het college verklaarde het bezwaar tegen deze brief niet-ontvankelijk, omdat het schrijven geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht was.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de brief van het college een afwijzing betrof van een civielrechtelijke aansprakelijkheidsstelling op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW Pro), welke uitsluitend door de burgerlijke rechter kan worden beoordeeld. Hierdoor kon het schrijven niet als een bestuursrechtelijk besluit worden aangemerkt.

Het bezwaar van appellanten werd daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen dit besluit werd ongegrond verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

200804643/1/M1.
Datum uitspraak: 20 mei 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A], wonend te [woonplaats] en [appellant B] en [appellant C], gevestigd te [plaats],
appellanten,
en
het college van gedeputeerde staten van Utrecht,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij brief van 13 maart 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) de door [appellant A] gestelde aansprakelijkheid voor de reeds gemaakte en toekomstige kosten van een bodemsanering op het perceel [locatie] te [plaats], afgewezen.
Bij besluit van 6 mei 2008 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] en [appellant C] (hierna: [appellanten]) gemaakte bezwaar tegen de brief van 13 maart 2007 niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief van 16 juni 2008, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2008, beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 april 2009, waar [appellanten], vertegenwoordigd door J.A.M. Groot, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.S. Samson, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2.2. [appellanten] voeren aan dat het college nalatig heeft gehandeld door zijn verplichtingen ingevolge de artikelen 29 en 55 van de Wet bodembescherming (oud) niet na te komen. Het college is volgens hen aansprakelijk voor de schade die hiervan het gevolg is.
2.3. Het college stelt zich, kort weergegeven, op het standpunt dat zijn brief van 13 maart 2007 een afwijzing is van een civielrechtelijke aansprakelijkheidsstelling door [appellant A]. Deze afwijzing kan volgens hem niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het door [appellanten] gemaakte bezwaar is dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard, aldus het college.
2.4. Bij brief van 7 maart 2007 heeft [appellant A] de provincie Utrecht aansprakelijk gesteld voor de reeds gemaakte en toekomstige kosten van een bodemsanering op het perceel [locatie] te [plaats]. Gelet op de bewoordingen van deze brief en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat het college in redelijkheid ervan heeft mogen uitgaan dat [appellant A] door middel van deze brief heeft beoogd het college uitsluitend aansprakelijk te stellen op grond van onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek, hetgeen uitsluitend ter beoordeling staat van de burgerlijke rechter. Derhalve kan het schrijven van het college van 13 maart 2007 niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt. Het college heeft de bezwaren van [appellanten] dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
2.5. Het beroep is ongegrond.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. de Hek, ambtenaar van Staat.
w.g. Boll w.g. De Hek
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2009
542.