ECLI:NL:RVS:2009:BI5899
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewenstverklaring vreemdeling ondanks familiebanden en beroep op artikel 8 EVRM
De vreemdeling werd bij besluit van 28 november 2006 ongewenst verklaard wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf en een gevaar voor de openbare orde. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar ongegrond en de rechtbank ’s Gravenhage bevestigde deze beslissing in november 2008. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De vreemdeling voerde aan dat de rechtbank onvoldoende gewicht had toegekend aan zijn familie- en gezinsleven, zoals beschermd onder artikel 8 EVRM Pro, en dat de ongewenstverklaring buitenproportioneel was omdat hij geen familiebanden had in zijn land van herkomst. De Raad van State overwoog dat hoewel er sprake is van familie- en gezinsleven met zijn vader en diens gezin, de vreemdeling sinds zijn binnenkomst in 1996 nooit rechtmatig heeft verbleven.
De Raad van State sloot aan bij jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarin een 'fair balance' moet worden gevonden tussen het individuele belang en het algemeen belang van de lidstaat. Gezien het ontbreken van rechtmatig verblijf en de omstandigheden van de vreemdeling, werd geoordeeld dat het belang van de staat zwaarder mocht wegen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de ongewenstverklaring bevestigd.