Uitspraak
200505617/1, waarin de Afdeling in rechtsoverweging 2.6.5 een maatregel anders dan van technische aard, te weten het wegdoen van een aantal dieren, op grond van een redelijke wetsuitleg als een stankemissiereducerende maatregel in de zin van artikel 3, derde lid, onder c van de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden - dat een met artikel 3, vierde lid, van de Wet geurhinder vergelijkbare regeling bevatte - heeft aangemerkt.
200607905/1naar voren heeft gebracht, onvoldoende gemotiveerd waarom de vergunning ondanks deze schade kon worden verleend.
200607905/1is een voor de inrichting op 12 september 2006 verleende milieuvergunning vernietigd. In die zaak heeft het college zich, deels met toepassing van het rapport Stallucht en Planten 1981, op het standpunt gesteld dat gewassen in de omgeving van de inrichting voldoende beschermd zijn tegen schade als gevolg van de directe opname uit de lucht van ammoniak afkomstig van de inrichting. De Afdeling heeft in de uitspraak van 30 mei 2007 geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Hetgeen [appellant] thans aanvoert, noopt niet tot een ander oordeel. Gelet hierop, heeft het college het bestreden besluit wat dit aspect betreft voldoende gemotiveerd door te verwijzen naar hetgeen het hierover in zaak nr.
200607905/1naar voren heeft gebracht. Deze grond faalt.