Uitspraak
200507168/1en 5 oktober 2005 in zaak nrs.
200410068/1 en 200409585/1.
Raad van State
Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant had bij besluit van 1 september 2008 de goedkeuring onthouden aan het uitwerkingsplan 'Molenheide' voor een perceel van appellant. Het college baseerde dit op de stelling dat een deel van het perceel al in 1984 was uitgewerkt, waardoor de uitwerkingsplicht voor dat deel was vervallen en geen tweede beroep mogelijk was.
Appellant betwistte dat het perceel volledig was verwerkelijkt en voerde aan dat het westelijke deel niet bij het eerdere uitwerkingsplan was betrokken. De Raad van State oordeelde dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom de uitwerkingsplicht voor het gehele perceel zou zijn vervallen en dat het westelijke deel nog steeds onder de uitwerkingsplicht valt.
Daarnaast vond de Afdeling dat de motivering dat het plan het provinciaal belang op het gebied van natuur en ruimtelijke kwaliteit zou schaden onvoldoende was, mede omdat het perceel omringd is door woningen en het bestemmingsplan juist woondoeleinden en bosbehoud combineert.
De Raad van State verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het besluit van het college van gedeputeerde staten wordt vernietigd en het beroep van appellant wordt gegrond verklaard.