Uitspraak
200305777/1en van 14 juni 2006 in zaak nr.
200507168/1is bij de vaststelling van de omvang van het bouwperceel de actuele situatie bepalend, waarbij in beginsel dient te worden uitgegaan van het kadastrale perceel waarop het bouwplan is voorzien. Anders dan het college meent hoeft de enkele kadastrale afsplitsing van het oorspronkelijk perceel op zichzelf echter niet doorslaggevend te zijn voor de vaststelling dat een nieuw bouwperceel is ontstaan. Voor de vraag of sprake is van één bouwperceel, als bedoeld in artikel 1.2.6 van de planvoorschriften, is immers tevens van belang of sprake is van bij elkaar behorende bebouwing. Het bestaan van een dergelijke situatie leidt ertoe dat meerdere kadastrale percelen in ruimtelijke zin als één geheel behoren te worden aangemerkt. In dit geval is daarvan sprake, nu het botenhuis met garage/berging als bijgebouw, behorend bij de woning moet worden aangemerkt en uitsluitend voor persoonlijk gebruik door de bewoners van de woning is bedoeld. Hierbij is tevens in aanmerking genomen dat voorheen ook altijd sprake is geweest van één kadastraal perceel met daarop een woning met een daarbij behorende botenloods/garage op het thans andere kadastraal genummerde perceel waar onderhavig bouwplan, dat voorziet in vervanging van de voormalige botenloods, is gesitueerd. Bovendien heeft de voorzieningenrechter terecht in aanmerking genomen dat beide percelen zijn omsloten door één omheining en slechts via één weg toegankelijk zijn. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat de twee kadastrale percelen zijn aan te merken als één bouwperceel.