Uitspraak
200800221/1) mag dan in beginsel van de verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan. Indien een werkgever betoogt dat hem ter zake van die overtreding geen enkel verwijt valt te maken zal dit door hem aannemelijk gemaakt moeten worden. De rechtbank heeft dit onvoldoende onderkend door te overwegen dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de overtreding aan ZHE Maasdam te verwijten is. De Afdeling is van oordeel dat ZHE Maasdam niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar geen enkel verwijt valt te maken van de overtreding van artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit. Hiertoe wordt overwogen dat in de verklaring van Verhoef het volgende is opgenomen: "Patrick Schenk was nog even bij ons wezen kijken, hij liep even langs". Schenk heeft volgens zijn verklaring verklaard: "Ik had Verhoef opdracht gegeven profielbalken aan te brengen voor een toekomstig warmte-terugwinningssysteem. Ik dacht dat hij samen met Paul den Boer veilig aan het werk was, met de hoogwerker". De enkele stelling van ZHE Maasdam in dit verband dat Verhoef zich in de bak van de hoogwerker bevond op het moment dat Schenk naar de werkzaamheden kwam kijken, is gegeven het feit dat vaststaat dat Verhoef zich buiten die bak heeft begeven en op de balk van de staalconstructie heeft plaatsgenomen, onvoldoende om te concluderen dat ZHE Maasdam aannemelijk heeft gemaakt dat zij adequaat toezicht heeft gehouden op de werkzaamheden en haar hiermee geen enkel verwijt valt te maken van de overtreding.