Uitspraak
200304460/1) komt de voorzieningenrechter bij het toepassen van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid in een voorlopige voorziening-procedure onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak aanzienlijke vrijheid toe. In hetgeen de stichting heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter in dit geval niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Voor zover de stichting betoogt dat zij niet was voorbereid op een behandeling van het hoger beroep, wordt in aanmerking genomen dat de stichting in de uitnodiging voor de zitting overeenkomstig artikel 8:86, tweede lid, van de Awb is gewezen op de in het eerste lid neergelegde bevoegdheid, zodat zij met de mogelijkheid van toepassing van deze bevoegdheid rekening diende te houden. De grief van de stichting dat de voorzieningenrechter de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening ten onrechte achterwege heeft gelaten, treft geen doel, aangezien in de uitspraak is bepaald dat het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.