ECLI:NL:RVS:2009:BJ1651
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- A.B.M. Hent
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende voortvarendheid staatssecretaris bij uitzetting vreemdeling in bewaring
De vreemdeling werd op 21 april 2009 in vreemdelingenbewaring gesteld. Voorafgaand aan deze inbewaringstelling vonden zes vertrekgesprekken plaats gedurende negen maanden, gericht op vrijwillige terugkeer via de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Na de inbewaringstelling werden pas na zeventien dagen handelingen ter voorbereiding van de uitzetting verricht.
De rechtbank had geoordeeld dat de staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld, maar de Raad van State stelt dat de handelingen voorafgaand aan de inbewaringstelling en de aanmelding bij de IOM niet als voorbereidingen van uitzetting kunnen worden beschouwd. De staatssecretaris was verplicht om na de inbewaringstelling specifieke uitzettingshandelingen te verrichten, wat niet tijdig is gebeurd.
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling gegrond. De vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven met ingang van 21 april 2009. Tevens wordt de staat veroordeeld tot vergoeding van schade en proceskosten aan de vreemdeling.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven wegens onvoldoende voortvarendheid van de staatssecretaris bij de uitzetting.