ECLI:NL:RVS:2009:BJ1657
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- H. Troostwijk
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Vaststelling voortvarendheid bij vreemdelingenbewaring en voorbereiding uitzetting
De vreemdeling werd op 4 mei 2009 in vreemdelingenbewaring gesteld en direct gehoord ter vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit, een handeling noodzakelijk voor uitzetting. Hij werd op 6 mei overgeplaatst naar de detentieboot te Dordrecht, waar zijn dossier op 11 mei arriveerde. Op 13 mei vond een vertrekgesprek plaats. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend was geweest vanwege de trage ontvangst van het dossier en kende de vreemdeling schadevergoeding toe.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en betoogde dat de rechtbank ten onrechte het identiteitsgehoor en vertrekgesprek niet als daadwerkelijke handelingen ter voorbereiding van de uitzetting had erkend. De Raad van State oordeelde dat deze handelingen wel degelijk voortvarendheid tonen en dat de latere ontvangst van het dossier op zichzelf geen bewijs is van onvoldoende voortvarendheid.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er waren geen bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop rechtvaardigden noch was er sprake van medewerking van de vreemdeling aan vertraging. De staatssecretaris had de duur van de vrijheidsontneming redelijk beperkt gehouden.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de inbewaringstelling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.