ECLI:NL:RVS:2009:BJ1665
Raad van State
- Hoger beroep
- T.M.A. Claessens
- B. van Dokkum
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdelingen in hoger beroep
De vreemdelingen, mede voor hun minderjarig kind, hadden een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd, welke door de staatssecretaris van Justitie bij besluiten van 29 januari 2009 werden afgewezen. De rechtbank ’s Gravenhage verklaarde bij uitspraak van 14 mei 2009 de beroepen van de vreemdelingen ongegrond.
De vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Raad van State en verzochten om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen gedurende de behandeling van het hoger beroep. Zij verwezen daarbij naar interim measures van de President van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en het arrest van het EHRM in de zaak S.D. tegen Griekenland van 11 juni 2009, die nader onderzoek vereisen dat in deze procedure niet mogelijk is.
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat er sprake is van een spoedeisend belang conform artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en besloot de gevraagde voorlopige voorziening toe te wijzen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten ten bedrage van €322,00, toe te rekenen aan rechtsbijstand verleend door een derde.
De voorlopige voorziening houdt in dat de vreemdelingen niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Deze beslissing werd op 19 juni 2009 in het openbaar uitgesproken door voorzitter Claessens, in aanwezigheid van ambtenaar van Staat Van Dokkum.
Uitkomst: De vreemdelingen worden niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist.