ECLI:NL:RVS:2009:BJ1665

Raad van State

Datum uitspraak
19 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200904216/2/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdelingen in hoger beroep

De vreemdelingen, mede voor hun minderjarig kind, hadden een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd, welke door de staatssecretaris van Justitie bij besluiten van 29 januari 2009 werden afgewezen. De rechtbank ’s Gravenhage verklaarde bij uitspraak van 14 mei 2009 de beroepen van de vreemdelingen ongegrond.

De vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Raad van State en verzochten om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen gedurende de behandeling van het hoger beroep. Zij verwezen daarbij naar interim measures van de President van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en het arrest van het EHRM in de zaak S.D. tegen Griekenland van 11 juni 2009, die nader onderzoek vereisen dat in deze procedure niet mogelijk is.

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat er sprake is van een spoedeisend belang conform artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en besloot de gevraagde voorlopige voorziening toe te wijzen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten ten bedrage van €322,00, toe te rekenen aan rechtsbijstand verleend door een derde.

De voorlopige voorziening houdt in dat de vreemdelingen niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Deze beslissing werd op 19 juni 2009 in het openbaar uitgesproken door voorzitter Claessens, in aanwezigheid van ambtenaar van Staat Van Dokkum.

Uitkomst: De vreemdelingen worden niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

200904216/2/V3.
Datum uitspraak: 19 juni 2009
Raad van State
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdelingen], mede voor hun minderjarig kind,
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 14 mei 2009 in zaken nrs. 09/2922 en 09/2924 in de gedingen tussen:
[de vreemdelingen], mede voor hun minderjarig kind,
en
de staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 29 januari 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) aanvragen van [de vreemdelingen], mede voor hun minderjarig kind (hierna: de vreemdelingen), om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij uitspraak van 14 mei 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 10 juni 2009, hoger beroep ingesteld.
Voorts hebben de vreemdelingen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2. Overwegingen
2.1. Het verzoek is er op gericht te voorkomen dat de vreemdelingen worden uitgezet gedurende de behandeling van het ingestelde hoger beroep.
2.2. De vreemdelingen beroepen zich in hun verzoek onder meer op een aantal door de President van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: de President van het EHRM), onder meer ten aanzien van Nederland, getroffen, maar niet nader gemotiveerde, interim measures, waarin is bepaald dat de betrokken vreemdelingen niet aan Griekenland mogen worden overgedragen. Zij wijzen er verder op dat de President van het EHRM in ieder geval in het kader van één van deze maatregelen de Griekse autoriteiten om nadere informatie heeft gevraagd.
2.3. Hetgeen door de vreemdelingen in hoger beroep is aangevoerd vergt, mede in het licht van het arrest van het EHRM in de zaak S.D. tegen Griekenland van 11 juni 2009, nr. 53541/07 (www.echr.coe.int/echr), nader onderzoek, waartoe de onderhavige procedure zich niet leent. Nu voorts is gebleken van een spoedeisend belang, als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, ziet de voorzitter daarom aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
2.4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdelingen niet worden uitgezet, totdat op het door hen ingestelde hoger beroep is beslist;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de vreemdelingen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van Staat.
w.g. Claessens
voorzitter
w.g. Van Dokkum
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2009
480.
Verzonden: 19 juni 2009
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak