ECLI:NL:RVS:2009:BJ2153
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- B. van Wagtendonk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens medische situatie en gezinshereniging
De staatssecretaris van Justitie heeft op 19 maart 2008 een aanvraag van een vreemdeling en haar minderjarig kind om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank onterecht twijfels heeft geuit over de volledigheid van het Bureau Medische Advisering (BMA)-advies. Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) leidt uitzetting alleen tot schending van artikel 3 EVRM Pro indien sprake is van een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium, wat hier niet is vastgesteld. De Raad stelt vast dat de vreemdeling dit niet aannemelijk heeft gemaakt en dat de medische situatie geen uitzonderlijke omstandigheden oplevert.
Daarnaast voldoet de vreemdeling niet aan de vereiste dat zij dezelfde nationaliteit heeft als haar echtgenoot, zoals voorgeschreven in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000, waardoor zij geen aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning asiel op grond van gezinshereniging. Ook het beroep op Europese richtlijnen slaagt niet. De Raad verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel blijft in stand.