ECLI:NL:RVS:2009:BJ2661

Raad van State

Datum uitspraak
15 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200900995/1/H1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:12 AwbArt. 3:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen vrijstelling aanleg parkeerplaatsen

Het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen verleende op 28 november 2007 vrijstelling van het bestemmingsplan voor de aanleg van vier parkeerplaatsen op een perceel te Nijmegen. De appellant stelde beroep in tegen dit besluit, maar de rechtbank Arnhem verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat appellant geen zienswijze had ingediend.

De appellant voerde aan dat het college niet zorgvuldig was geweest omdat hij niet persoonlijk was geïnformeerd over de aanvraag van de vrijstelling. De Raad van State oordeelde dat het college voldeed aan zijn informatieplicht door publicatie in een huis-aan-huisblad en dat er geen wettelijke verplichting bestond tot persoonlijke kennisgeving.

Verder was het aan appellant zelf om zich op de hoogte te stellen van relevante ontwikkelingen, zeker gezien zijn contacten met gemeentelijke ambtenaren. De verwachting dat deze ambtenaren hem uit eigen beweging zouden informeren, was voor zijn rekening. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het beroep wegens het niet indienen van een zienswijze.

Uitspraak

200900995/1/H1.
Datum uitspraak: 15 juli 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 januari 2009
in zaak nr. 07/5570 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (hierna: het college) [Architectenbureau] vrijstelling verleend van het bestemmingsplan 'Galgenveld I 1974' voor de aanleg van vier parkeerplaatsen op het perceel [locatie] te Nijmegen (hierna: het perceel).
Bij uitspraak van 6 januari 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 februari 2009, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [Architectenbureau] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting op 8 juli 2009 aan de orde gesteld. Daar zijn [appellant], het college en [Architectenbureau] niet verschenen.
2. Overwegingen
2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht door hem niet persoonlijk in te lichten over de aanvraag van [Architectenbureau] om vrijstelling te verlenen voor de aanleg van vier parkeerplaatsen op het perceel.
2.2. Het betoog slaagt niet. Vaststaat dat het voornemen van het college om vrijstelling te verlenen voor de aanleg van vier parkeerplaatsen op het perceel is gepubliceerd in het huis-aan-huis verspreide weekblad 'De Brug' van 29 augustus 2007 en dat [appellant] geen zienswijze als bedoeld in artikel 3:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft ingediend.
Voorts is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat niet is gebleken dat de bezorging van 'De Brug' zodanige gebreken vertoont dat het college dit blad niet als middel ter kennisgeving had mogen gebruiken en dat geen wettelijke verplichting voor het college bestaat om [appellant] persoonlijk te informeren over het voornemen om vrijstelling voor de aanleg van vier parkeerplaatsen op het perceel te verlenen.
Verder is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat het op de weg van [appellant] had gelegen, juist wegens zijn contact met ambtenaren van de gemeente Nijmegen over het parkeren op het perceel, om zich op de hoogte te stellen van voor hem van belang zijnde ontwikkelingen. Niet is gebleken dat deze ambtenaren [appellant] hebben toegezegd hem te informeren over het voornemen van het college om vrijstelling te verlenen.
Hieraan doet niet af dat [appellant] naar hij stelt mocht verwachten dat, bij gelegenheid van zijn gesprek met ambtenaren van de gemeente over het aanbrengen van een gat in de muur voor een fietsuitgang, deze ambtenaren hem uit eigen beweging zouden informeren over het voornemen van het college om vrijstelling te verlenen voor de aanleg van de parkeerplaatsen. Die verwachting moet voor zijn rekening blijven. Door de algemene kennisgeving als bedoeld in artikel 3:12 van Pro de Awb heeft het college voldaan aan zijn rechtsplicht tot informatieverstrekking en had [appellant] op de hoogte kunnen zijn van de voorgenomen vrijstelling.
De rechtbank is dan ook tot het juiste oordeel gekomen dat [appellant] redelijkerwijs kan worden verweten geen zienswijze te hebben ingediend.
Het beroep is terecht niet-ontvankelijk verklaard.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.
w.g. Bijloos w.g. Boot
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009
202.