ECLI:NL:RVS:2009:BJ3391

Raad van State

Datum uitspraak
22 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200900640/1/H1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • W. Konijnenbelt
  • R. van Heusden
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.9 WaboArt. 3.26 bestemmingsplan Stuwwalrand Parkzone ZuidArt. 1.1 bestemmingsplan Stuwwalrand Parkzone ZuidWet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurlijke uitspraak over gebruik recreatiewoning in strijd met bestemming verblijfsrecreatie

Het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn legde aan [wederpartij] een last onder dwangsom op om het gebruik van een recreatiewoning voor permanente bewoning te beëindigen, omdat dit in strijd zou zijn met het bestemmingsplan "Stuwwalrand Parkzone Zuid" dat het perceel bestemde voor verblijfsrecreatie.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen verklaarde het bezwaar van [wederpartij] gegrond en vernietigde het besluit van het college. Het college stelde hoger beroep in bij de Raad van State, stellende dat het aannemelijk had gemaakt dat sprake was van permanente bewoning in strijd met de bestemming.

De Raad van State oordeelde dat het college onvoldoende feiten had gesteld om de overtreding aannemelijk te maken, vooral omdat de inschrijving van [wederpartij] in de gemeentelijke basisadministratie op een ander adres niet automatisch betekent dat de recreatiewoning illegaal werd bewoond. Het college had onvoldoende onderzoek gedaan naar het daadwerkelijke verblijf van [wederpartij].

Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.

Uitspraak

200900640/1/H1.
Datum uitspraak: 22 juli 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen van 15 december 2008 in zaak nrs. 08/1794 en 08/1795 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn.
1. Procesverloop
Bij besluit van 5 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (hierna: het college) [wederpartij] onder oplegging van een last onder dwangsom gelast om zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vóór 17 maart 2008 het gebruik voor permanente bewoning van de recreatiewoning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden.
Bij besluit van 16 september 2008 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 december 2008, verzonden op 16 december 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter) het door [wederpartij] tegen het besluit van 16 september 2008 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het college opgedragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen en het besluit van 5 februari 2008 geschorst tot zes weken na de bekendmaking van het nieuwe besluit op bezwaar. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 januari 2009, hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2009, waar het college, vertegenwoordigd door J. Groeneveld en W.M. van de Zedde, ambtenaren in dienst van de gemeente, en [wederpartij], in persoon, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Stuwwalrand Parkzone Zuid" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Verblijfsrecreatie".
Ingevolge artikel 3.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor het bedrijfsmatig bieden van recreatief verblijf aan personen -die elders hun hoofdverblijf hebben- in tot het bedrijf behorende recreatiewoningen, groepsaccommodaties en kampeermiddelen en op tot het bedrijf behorende verzorgende gebouwen ten dienste van die personen.
Ingevolge artikel 1.1, onder 39, wordt in deze voorschriften onder verblijfsrecreatie verstaan: recreatief nachtverblijf waarbij overnacht wordt in kampeermiddelen en/of recreatiewoningen.
Ingevolge artikel 1.1, onder 44, wordt in deze voorschriften onder permanente bewoning verstaan het gebruik als woonadres als bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: Wet gba), waaronder wordt verstaan:
a. het gebruik als woning door eenzelfde persoon, (deel van) een gezin, of samenwoning op een wijze die ingevolge het bepaalde in de Wet gba noopt tot inschrijving in het persoonsregister van de gemeente, en/of
b. het in de periode van 1 november tot 15 maart meer dan 70 maal ter plaatse nachtverblijf houden, terwijl betrokkene(n) niet elders daadwerkelijk over een woonadres beschikt.
Ingevolge artikel 1, onder 45, wordt in deze voorschriften onder woonadres verstaan
a. het adres waar betrokkene woont of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;
b. het adres waar, bij ontbreken van een adres als bedoeld onder a, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden tenminste twee derde van de tijd zal overnachten.
Ingevolge 3.26, eerste lid, onder b, aanhef, eerste volzin, is het verboden de in het plan bedoelde gebouwen en bouwwerken te gebruiken in strijd met de bestemming.
2.2. Het college betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het aannemelijk heeft gemaakt dat [wederpartij] de recreatiewoning op het perceel in strijd met de gegeven bestemming gebruikt voor woondoeleinden als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, onder b, aanhef en eerste volzin van de planvoorschriften.
2.2.1. De Afdeling overweegt dat het op de weg van het college lag om aannemelijk te maken dat sprake is van een overtreding van de planvoorschriften en de daartoe vereiste feiten te stellen. Het was vervolgens aan [wederpartij] om die feiten, indien daartoe aanleiding bestond, te weerleggen of nader te verklaren, bij gebreke waarvan de rechter in beginsel van de juistheid van de feiten, zoals het college die heeft vastgesteld, uit dient te gaan.
2.2.2. Het college heeft eerder bij besluit van 7 maart 2005 aan [wederpartij] een last onder dwangsom opgelegd strekkende tot het beëindigen en beëindigd houden van het gebruik van de recreatiewoning op het perceel. Aan de bij besluit van 5 februari 2008 opgelegde last heeft het college ten grondslag gelegd dat de aanwijzingen dat sprake is van permanente bewoning van de recreatiewoning ongewijzigd zijn, behoudens de omstandigheid dat [wederpartij] per 1 november 2007 in de gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven op het adres [locatie a] te [plaats] in de gemeente [plaats]. Volgens het college beschikt [wederpartij] in [plaats] niet over een legale zelfstandige woonruimte en moet daarom worden geconcludeerd dat hij de recreatiewoning in strijd met de bestemming gebruikt. Het college verwijst daartoe naar een verslag van 13 mei 2008, waarin de conclusies van een controlebezoek aan het perceel aan de [locatie a] zijn neergelegd.
Het college heeft hiermee niet de vereiste feiten gesteld om aannemelijk te maken dat [wederpartij] de recreatiewoning op het perceel heeft gebruikt in strijd met de gegeven bestemming. De verwijzing naar het dwangsombesluit van 7 maart 2005, waaraan ten grondslag was gelegd dat [wederpartij] op het adres van de recreatiewoning was ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie, kan de thans opgelegde last niet dragen, nu deze omstandigheid zich niet langer voordoet. Het had op de weg van het college gelegen om naar aanleiding van de inschrijving van [wederpartij] in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente [plaats] te onderzoeken, bijvoorbeeld door het doen van waarnemingen, of [wederpartij] al dan niet hoofdverblijf houdt in de recreatiewoning op het perceel. De door het college gestelde omstandigheid dat [wederpartij] in [plaats] niet beschikt over een legale zelfstandige woonruimte, wat daar verder van zij, hoeft niet te betekenen dat [wederpartij] de recreatiewoning op het perceel heeft gebruikt in strijd met de gegeven bestemming. Dat kan ook niet worden afgeleid uit de brief van [wederpartij] aan het college van 20 november 2007, waarin hij heeft te kennen gegeven dat hij tot 1 februari recreatief zal verblijven in de recreatiewoning op het perceel.
Het betoog faalt.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.
w.g. Konijnenbelt w.g. Van Heusden
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2009
163-543.