ECLI:NL:RVS:2009:BJ3401
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A.C. Slump
- R.H.L. Dallinga
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging rechtsbijstand wegens niet-erkend co-ouderschap
Appellant verzocht om toevoeging van rechtsbijstand, welke door de Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam op 26 april 2007 werd afgewezen wegens overschrijding van de inkomensgrens voor alleenstaanden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat niet aannemelijk was dat zijn kinderen tot zijn huishouding behoren, waardoor hij terecht als alleenstaande werd aangemerkt.
In hoger beroep betoogde appellant dat het systeem onjuist en discriminatoir is, omdat gescheiden vaders volgens hem ten onrechte als alleenstaanden worden beschouwd, terwijl alleenstaande moeders dat niet worden. Hij stelde dat hij als vader met zorg voor zijn twee dochters niet als alleenstaande moet worden aangemerkt.
De Raad van State oordeelde dat het begrip 'alleenstaande' in de Wet op de rechtsbijstand en het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand strikt wordt toegepast. Omdat geen rechterlijk vastgesteld co-ouderschap bestaat en de kinderen niet op zijn adres staan ingeschreven, behoren zij niet tot zijn huishouding. Het feit dat hij ouderlijk gezag heeft en kosten maakt voor zijn kinderen leidt niet tot een andere beoordeling.
De Raad stelde verder vast dat de regelgeving geen onderscheid maakt op grond van geslacht en niet in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM Pro. Ook andere door appellant ingeroepen EVRM-rechten zijn niet aan de orde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor toevoeging rechtsbijstand bevestigd.